Spreekopdracht – Zurückblick auf die Weihnachtsferien1. Werk in tweetallen. Eén leerling is A, de ander B.
2. Voorbereiden (25minuten): Schrijf kort 2 dingen op die je tijdens de kerstvakantie hebt gedaan of gezien. Denk aan:
a. Was hast du gemacht? (Wat heb je gedaan?)
b. Mit wem? (Met wie?)
c. Wie hat es dir gefallen? (Hoe vond je het?)
3. Spreken ( 1 minuut): Leerling A vertelt over één activiteit. Gebruik minstens één werkwoord in Perfekt en zeg wat je ervan vond:
Zum Beispiel: Ich habe Weihnachtsplätzchen gebacken. Es hat mir sehr gefallen.
Leerling B luistert en stelt één vraag:
Bijvoorbeeld: Mit wem hast du das gemacht? of Warum hat es dir gefallen?
Wissel daarna van rol !
Tips:
Gebruik voegwoorden zoals und, aber, weil om je zinnen te verbinden.
Houd het kort en duidelijk: 2–3 zinnen per activiteit is genoeg.
Luister goed naar elkaar en reageer op de vragen van je partner.