woordsoorten

Grammatica: Woordsoorten
Elk woord in een zin kan je benoemen
1 / 11
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Grammatica: Woordsoorten
Elk woord in een zin kan je benoemen

Slide 1 - Slide

Lidwoorden
  1. De 
  2. Het 
  3. Een 

De vader en het kind zitten in een vliegtuig.



Slide 2 - Slide

Zelfstandig naamwoorden
Een zelfstandig naamwoord verwijst naar een mens, dier, plant, begrip of eigennaam. 

Kenmerken:
Meestal staat er een lidwoord voor. 
Meestal kun je er een meervoud van maken. 
Meestal kun je er een verkleinwoord van maken. 

Slide 3 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord voegt iets bij aan het zelfstandig naamwoord:

De auto - De grijze auto - De kleine, grijze auto - De kleine, vieze, grijze auto- De kleine, vieze, oude, grijze auto


Slide 4 - Slide

in, onder, voor, aan, van, boven, onder,,,,,
Tijdens, gedurende, naar, na, bij...

Slide 5 - Slide

Werkwoorden
- Geven aan wat de handeling is.
- Je kunt ze vervoegen:
ik loop
hij loopt
wij lopen

Slide 6 - Slide

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin:

De vader en het kind zitten in een vliegtuig.
A
0
B
1
C
2
D
3

Slide 7 - Quiz

Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin:

Peter koopt acht rode appels op de markt.
A
2
B
4
C
5
D
3

Slide 8 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in deze zin?:

Ik heb zin in een zonnige voorjaarsvakantie.
A
zin
B
ik
C
zonnige
D
voorjaarsvakantie

Slide 9 - Quiz

Hoeveel voorzetsels staan er in deze zin:

Tijdens het feest werd ik aangevallen door de hond die uit zijn kennel was ontsnapt.
A
0
B
1
C
2
D
3

Slide 10 - Quiz

Benoem de werkwoorden in de volgende zin:

Ik heb dat altijd al willen kopen.
A
heb
B
heb, willen
C
kopen
D
heb, willen, kopen

Slide 11 - Quiz