A2D P2 Les 7 - CBZ (12-01-2021)

Mevrouw de Cuba
1 / 32
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Mevrouw de Cuba

Slide 1 - Slide

Afspraken online lessen

Slide 2 - Slide

¿Preguntas?

Slide 3 - Slide

Vocabulario: 
4.1 t/m 4.4
Frases clave p.6-7

Grammatica: 
-negación (ontkenning) 
- hoe vaak; 
- kloktijden; 
- getallen 0-100
- gustar
- presente
-onregelmatige ik-vorm 
hacer, salir, ir, dar, jugar, dormir acostarse, levantarse

Slide 4 - Slide

El programa de hoy
  •  Deberes
  • getallen 0-100
  • gustar 
  • wederkerende werkwoorden

Slide 5 - Slide

Los deberes:

Classroom

Slide 6 - Slide

El verbo 
Gustar

Slide 7 - Slide

Gustar betekent = leuk vinden of houden van (bevallen).
Hoewel het een werkwoord is op -AR, is het anders dan de andere werkwoorden!

El verbo gustar
GUSTA
GUSTAN
en
Wat je leuk vindt is:
  • Enkelvoud
  • Werkwoord(en)
Wat je leuk vindt is:
  • Meervoud
Voorbeelden:
Me gusta el gato.
Ik vind de kat leuk.

Me gustan los perros
Ik vind de honden leuk

Me gusta hablar español 
Ik vind Spaans spreken leuk.




Meestal gebruik je alleen:

Slide 8 - Slide

Het Spaanse werkwoord gustar is nooit alleen. Het werkwoord gustar geeft aan wat je leukt vindt. En daar voor komt altijd een meewerkend voorwerp, die geeft aan wie iets leuk vindt. 

Let op je gebruikt altijd een lidwoord (el/la/los/las), in het Nederlands doe je dat niet altijd.
Voorbeeld: Me gustan las pizzas > Ik hou van pizzas. 

Ik-vorm (yo) =    me gusta ...         +           me gustan ...
Jij-vorm (tú) =    te gusta ...           +            te gustan ...


El verbo gustar
Me gustan las patatas fritas.
¿Te gustan las patatas fritas?
VOORBEELD:
Ik hou van frietjes.
Hou jij van frietjes?

Slide 9 - Slide

Me gustan las manzanas
Wie?
ik.
Wat?
Hetgeen wat mij bevalt is meervoud (appels).

Slide 10 - Slide

te gusta bailar y cantar
Wie?
Jij.
Wat?
Hetgeen wat mij bevalt dansen en zingen (werkwoorden)

Slide 11 - Slide

me gusta el español
Wie?
Ik.
Wat?
Hetgeen wat mij bevalt is het Spaans. 
Vind je meerdere talen leuk? Me gustan el español y el alemán.

Slide 12 - Slide

¡A practicar!
A. Vul in gusta of gustan
1. Me _____________________ las hamburguesas.
2. ¿Te ______________________ estudiar español?
3. Me ______________________ el fútbol.
4. ¿Te ______________________ bailar?
5. Me _______________________ los libros de Harry Potter


Slide 13 - Slide

¡A practicar!
A. Vul in gusta of gustan
1. Me gustan las hamburguesas.                  (meervoud)
2. ¿Te gusta estudiar español?                     (werkwoord)
3. Me gusta el fútbol.                                       (enkelvoud)
4. ¿Te gusta bailar?                                          (werkwoord)
5. Me gustan los libros de Harry Potter.     (meervoud)



Slide 14 - Slide

Números 0-100

Slide 15 - Slide

Números 0-100
Let op(1)! 
Op de volgende getallen staat een accentje!

16  = dieciséis
22 = veintidós
23 = veintitrés
26 = veintiséis

Slide 16 - Slide

Números 0-100
Let op(2)! 

21 t/m 29 schrijf je aan elkaar vast (let op de ‘i’ tussen de getallen)
  21 = veintiuno
  22 = veintidós




Vanaf 31 schrijf je de getallen los van elkaar en zet je ‘y’ tussen de getallen.
 48 = cuarenta y ocho
 96 = noventa y seis

Slide 17 - Slide

cuarenta is....
A
20
B
30
C
40
D
50

Slide 18 - Quiz

setenta is....
A
6
B
7
C
60
D
70

Slide 19 - Quiz

dertig is...
A
setenta
B
quarenta
C
treinta
D
cinquenta

Slide 20 - Quiz

negentig is...
A
cinquenta
B
noventa
C
ochenta
D
sesenta

Slide 21 - Quiz

Wat is de juiste vertaling?

siete - catorce- diecisiete- veintitrés- veintinueve- treinta y uno
A
7-14-17-23-29-31
B
7-40-17-23-28-31
C
7-4-17-32-29-31
D
6-14-17-25-29-31

Slide 22 - Quiz

VERBOS REFLEXIVOS
wederkerende werkwoorden eindigen altijd op -se
Om ze te vervoegen haal je -se eraf en dan hou je een werkwoord over dat eindigt op -ar/-er of -ir
bijvoorbeeld: lavarse = zich wassen

Slide 23 - Slide

lavarse = zich wassen
yo
él/ella/ud.
nosotros/as
vosotros/as
ellos/ellas/uds.
me
te
se
nos
os
se
lavo
lavas
lava
lavamos
laváis
lavan

Slide 24 - Slide

Verbos  irregulares 
irregulares

Slide 25 - Slide

OJO

Het meewerkend voorwerp MOET je gebruiken. (me, te, le...)


Slide 26 - Slide

EENS/NIET EENS
                                                EENS                 NIET EENS
Me gusta el español.         A mí también             A mí no
                                               ik ook                      ik niet

No me gusta el teatro.    A mí tampoco            A mí sí
                                              ik ook niet                ik wel

Slide 27 - Slide

Importante
  • Sommige werkwoorden zijn in het Spaans wel wederkerend en in het Nederlands niet:  levantarse (opstaan)
  • Sommige wederkerende werkwoorden hebben ook een stamklinkerwisseling:  acostarse (naar bed gaan)
  • Alléén werkwoorden die eindigen op -se zijn wederkerend, pas dus op dat je niet overal me, te, se etc. voor gaat zetten!!!

Slide 28 - Slide


2.Mis hermanos(levantarse)________ muy temprano.
temprano=vroeg

Slide 29 - Open question


6. ¿Ustedes (acostarse)________ a las 23:00?

Slide 30 - Open question


7. ¿A qué hora (levantarse, tú)______________?

Slide 31 - Open question

¿Qué has aprendido?

Slide 32 - Mind map