5 november

Wat doen we vandaag?
  • Vragen grammatica?
  • Bespreken Oefeningen 1B: 4, 5, 6, 7.
  • Bespreken 1C, 1 t/m 3. 
  • Vertalen 1C.
1 / 38
next
Slide 1: Slide
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Wat doen we vandaag?
  • Vragen grammatica?
  • Bespreken Oefeningen 1B: 4, 5, 6, 7.
  • Bespreken 1C, 1 t/m 3. 
  • Vertalen 1C.

Slide 1 - Slide

Vragen grammatica?

Slide 2 - Open question

Geen vragen (meer)?
  • Maak maar twee rijtjes.... 

Slide 3 - Slide

Oefeningen 1B: 4
  • 1. ἐξαίφνης bijwoord de rest zelfst. naamwoord
  • 2. κρύπτω werkwoord de rest voegwoord
  • 3. δοῦλος mannelijk de rest vrouwelijk
  • 4. ἐκτός voorzetsel de rest zelfst. naamwoord

Slide 4 - Slide

Oefeningen 1B: 4
  • 5. ἀγορά vrouwelijk de rest mannelijk
  • 6. γάρ voegwoord de rest voorzetsel
  • 7. ἐγώ pers. voornaamw. de rest werkwoord
  • 8. ἀγαθός bijv. naamw. de rest zelfst. naamwoord

Slide 5 - Slide

Oefeningen 1B: 5
  • 1. τῷ ἀνθρώπῳ, ὁ ἀδελφὸς 
  • De slaaf zei tegen de man: “de broer en de zus slapen.”
  • 2. οἱ δοῦλοι 
  • De slaven bewaken de man goed.
  • 3. τὴν ἀδελφὴν 
  • De broer bewaakte de zus.

Slide 6 - Slide

Oefeningen 1B: 5
  • 4. τῆς οἰκίας 
  • De markt is dichtbij het huis.
  • 5. τὸν ἀδελφὸν καὶ τὴν ἀδελφὴν 
  • Wij bewaken de broer en de zus

Slide 7 - Slide

Oefeningen 1B: 6
  • 1d 
  • 2a 
  • 3b 
  • 4e 
  • 5f 
  • 6c

Slide 8 - Slide

Oefeningen 1B: 7
  • 1. λέγεις jij spreekt
  • 2. ἀκούουσι(ν) zij horen
  • 3. πράττω ik doe
  • 4. καθεύδει hij/zij slaapt
  • 5. κρύπτετε jullie verbergen
  • 6. φυλάττομεν wij beschermen/bewaken

Slide 9 - Slide

ἡ μὲν Ἀσπασία πρὸς τὸν ἀδελφὸν ἔβλεψε καὶ μετ’ ὀλίγον χρόνον ἔλεξεν·

Slide 10 - Open question

ὦ Ἀλέξανδρε, βαῖνε πρὸς τὴν θύραν.

Slide 11 - Open question

ἀλλ’ ὁ Ἀλέξανδρος οὐκ ἤθελε καὶ τῇ ἀδελφῇ ἔλεξεν·

Slide 12 - Open question

φόβον ἔχω, ὦ Ἀσπασία.

Slide 13 - Open question

μετὰ δὲ ταῦτα ἡ Ἀσπασία ἔλεξεν·

Slide 14 - Open question

τί οὐ τὸν δοῦλον ἐγείρομεν καὶ πρὸς τὴν θύραν πέμπομεν;

Slide 15 - Open question

καὶ τοῦτο ἐποίησαν. τῷ δὲ δούλῳ ἔλεξαν·

Slide 16 - Open question

ὦ δοῦλε, βαῖνε πρὸς τὴν θύραν· ἢ καὶ σὺ φόβον ἔχεις;

Slide 17 - Open question

ὁ δὲ δοῦλος τοῖς τέκνοις ἔλεξεν·

Slide 18 - Open question

ἐγὼ φόβον οὐκ ἔχω, ἀλλ’ ἔτι ἐκάθευδον.

Slide 19 - Open question

νῦν δὲ πρὸς τὴν θύραν βαίνω, ἔπειτα τὴν θύραν τοῖς ἀνθρώποις οἴγω.

Slide 20 - Open question

ὁ μὲν οὖν δοῦλος πρὸς τὴν θύραν ἔβαινεν, ὁ δ’ Ἀλέξανδρος καὶ ἡ Ἀσπασία ἐν τῷ θαλάμῳ ἔμενον.

Slide 21 - Open question

ἔπειτα ὁ δοῦλος ἔῳξε τὴν θύραν καὶ τότε οἱ ἄνθρωποι τὸν δοῦλον ἔλαβον καὶ ἔδησαν.

Slide 22 - Open question

ὁ δὲ δοῦλος τοῖς ἀνθρώποις ἔλεξεν·

Slide 23 - Open question

ἱκετεύω ὑμᾶς· λύετέ με.

Slide 24 - Open question

ὁ γὰρ Ἀλέξανδρος καὶ ἡ Ἀσπασία με μένουσιν, ὅτι φόβον ἔχουσιν. ἱκετεύω.

Slide 25 - Open question

οἱ δ’ ἄνθρωποι τὸν δοῦλον οὐκ ἔλυσαν.

Slide 26 - Open question

πολὺν μὲν οὖν χρόνον ὁ Ἀλέξανδρος καὶ ἡ Ἀσπασία τὸν δοῦλον μάτην ἔμενον.

Slide 27 - Open question

τέλος δὲ μακρᾷ φωνῇ ἐβόησαν, ἀλλ’ οὐδεὶς αὐτῶν ἤκουεν.

Slide 28 - Open question

ὁ γὰρ πατήρ τε καὶ ἡ μήτηρ ἐπὶ θυσίαν ἐν Λεβαδείᾳ ἦσαν, καὶ ἡ οἰκία μόνον ἕνα δοῦλον εἶχεν.

Slide 29 - Open question

A. Werkwoord
B.  Naamwoord
C. Voornaamwoord

Slide 30 - Slide

Oefening 1
1 praesens jij slaapt
2 aoristus hij schreeuwde / hij gaf een schreeuw
3 praesens jullie blijven
imperativus blijf 
4 imperfectum zij hadden
5 praesens zij maken los

Slide 31 - Slide

Oefening 1
6 aoristus zij zeiden
7 imperativus zeg
8 praesens wij sturen
9 aoristus hij hoorde
10 praesens ik ga

Slide 32 - Slide

Oefening 2
1 dat. ev 3
2 acc. ev
3 dat. mv
4 gen. ev
5 dat. ev
6 nom. mv
7 voc. ev
8 gen. ev

Slide 33 - Slide

Oefening 4
1 μόνον bijwoord de rest is voorzetsel
2 ὀλίγος bijv. naamw. de rest is zelfst.naamw.
3 ἔργον onzijdig de rest is mnl.
4 ἔπειτα bijwoord de rest is zelfst. naamw.

Slide 34 - Slide

Oefening 4
5 ὅτι voegwoord de rest is pers. voornaamw.
6 γάρ voegwoord de rest is bijwoord
7 δοῦλος geen familiewoord de rest wel
8 πρό + gen. de rest + acc.

Slide 35 - Slide

Oefening 5
1 πράττεις Jij doet het werk.
2 ἐφύλαττεν De slaaf bewaakte het huis.
3 βαίνομεν Wij gaan naar de markt.
4 πράττετε Doe het werk goed / jullie doen het werk goed.
5 λύετε Maak het kind los / jullie maken het kind los.
6 ἔχει De slaaf heeft geen angst.

Slide 36 - Slide

Oefening 6
1 ὁ Ἀλέξανδρος πρὸς τὴν θύραν οὐκ ἔβαινεν.
2 ἐν τ οἰκί ὁ δοῦλος ἐκάθευδεν.
3 ὁ δοῦλος ἔτι καθεύδει.
4 αὖθις οἱ ἄνθρωποι ἐβόησαν.
5 «ἐγ φόβον οὐκ ἔχω», ὁ δοῦλος λέγει.

Slide 37 - Slide

Aan het werk. 
  • Vertaal 1C, t/m zin 8.


Dit is ook huiswerk.
Daarnaast: leer de woordjes en grammatica van 1A, B, C. 

Slide 38 - Slide