CG A1_Unidad 10 1 t/m 4_week 8 les 1

Caminando
  • Repaso El gerundio
  • aangeven dat iets aan de gang is
1 / 23
next
Slide 1: Slide
spaansHBOStudiejaar 1

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min
Report this lesson

Items in this lesson

Caminando
  • Repaso El gerundio
  • aangeven dat iets aan de gang is

Slide 1 - Slide

¿Qué tal las vacaciones?
¿Qué habéis hecho?
¿Dónde habéis estado?

¿Qué tal el tiempo hoy?

Slide 2 - Slide

herhaling Gerundio (aan het doen zijn)
De Gerundio gebruik je om te vertellen wat je op dit moment aan het doen bent of wat er aan de gang is. Je gebruikt daarvoor het werkwoord estar + gerundio

 + gerundio vorm.  

Mi padre/ afeitarse -> Mijn vader is zich aan het scheren ->?
ESTAR
estoy estás está estamos estáis están

Slide 3 - Slide

Hoe maak je de Gerundio?
estar (= hulp werkwoord)
1. estoy
2. estás                   + stam            + ando (-ar werkwoorden)
3. está                                                + iendo (-er/ir) werkwoorden              1. estamos
2. estáis
3. están

Slide 4 - Slide

Hoe maak je de Gerundio?

1. Ik ben aan het luisteren.
2. Ben jij aan het werken?                  
3. Hij is aan het voetballen.
1. Wij zijn aan het eten.
2. Wat zijn jullie aan het doen?
3. Zij zijn aan het praten. 

Slide 5 - Slide

Hoe maak je de Gerundio?

1. Ik ben aan het luisteren.
2. Ben jij aan het werken?                  
3. Hij is aan het voetballen.
1. Wij zijn aan het eten.
2. Wat zijn jullie aan het doen?
3. Zij zijn aan het praten. 
Estoy escuchando.
Está jugando al fútbol.
Están hablando.
¿Estás trabajando?
Estamos comiendo.
¿Qué estáis haciendo?

Slide 6 - Slide

Formas irregulares

Onregelmatige vormen

(Zie paragraaf 7.2 p.125)
decir - diciendo (e->i)
venir - viniendo (e->i)
pedir - pidiendo (e->i)
leer - leyendo
ir - yendo
dormir - durmiendo
morir - muriendo

Slide 7 - Slide

¿Cómo se dice..?
"Wat ben je aan het doen?"

Slide 8 - Open question

- ¿Qué estás haciendo ahora?
geef een passend antwoord

Slide 9 - Open question

Wederkerende werkwoorden in de Gerundio 
(p. 125)
Bij de Gerundio kunnen de voornaamwoorden zowel vóór estar staan. 
  • Me estoy duchando (van wederkerend ww ducharse).
Maar ze mogen ook direct achter de Gerundio staan. Om de klemtoon te handhaven krijgt de Gerundio dan wel een accent.
  • Estoy duchándome.

Slide 10 - Slide

Plaats van het wederkerend vnmw. p.119 en120
De persoonlijke vnmw. staan meestal vóór het vervoegde werkwoord.
Me ducho. - Me he duchado. - ¿Las maletas? Ya las he hecho.

  • Bij de Gerundio kunnen de voornaamwoorden vóór estar staan ... 
  • Me estoy duchando. - Las estoy haciendo.
  • Maar ze mogen ook direct achter de Gerundio staan. Om de klemtoon te handhaven krijgt de Gerundio dan wel een accent. 
  • Estoy duchándome. - Estoy haciéndolas.

Slide 11 - Slide

Importante....
Ook bij de Infinitief kunnen de voornaamwoorden zowel vóór het vervoegde werkwoord als achter het hele werkwoord staan.
Erachter? Dan wel vast aan infinitief.
  • Me voy a  duchar. = Ik ga me douchen.
  • Voy a ducharme. = Ik ga me douchen.
  • Las voy a hacer. = Ik ga ze inpakken (de koffers)
  • voy a hacerlas. = Ik ga ze inpakken (de koffers)

Slide 12 - Slide

Even alles op een rij.
Tot nu toe heb je verschillende constructies geleerd:
  • Wat je gaat doen.
  • Wat je moet doen. 
  • Wat je hebt gedaan.
  • Wat je aan het doen bent. 
ir + a + infinitief, bijv. voy a estudiar mucho<div>Deze constructie gaan we zo nog meer oefenen.</div>
tener + que + infinitief. Tengo que estudiar mucho.
estar + -ando/-iendo. Estoy estudiando mucho.
haber + stam + -ado/-ido. He estudiado mucho.

Slide 13 - Slide

Dat ziet er dan zo uit met een 'gewoon' ww:

  • Mañana voy a estudiar.
  • Esta tarde tengo que estudiar. 
  • Ya he estudiado.
  • En este momento estoy estudiando.


  • Morgen ga ik studeren.
  • Vanmiddag moet ik studeren.
  • Ik heb al gestudeerd.
  • Op dit moment ben ik aan het studeren. 

Slide 14 - Slide

Dat ziet er dan zo uit met een wederkerend ww:

  • Ahora me voy a duchar.
  • Ahora me tengo que duchar. 
  • Ya me he duchado.
  • En este momento me estoy duchando.


  • Ik ga me nu douchen.
  • Ik moet me nu douchen. 

  • Ik heb me al gedoucht.
  • Op dit moment ben ik me aan het douchen. 

Slide 15 - Slide

Of zo:
Bij de infinitief of Gerundio

  • Ahora voy a ducharme.
  • Ahora tengo que ducharme. 
  • En este momento estoy duchándome.

Maar:
  • Ya me he duchado.



  • Ik ga me nu douchen.
  • Ik moet me nu douchen. 

  • Op dit moment ben ik me aan het douchen.

Maar:
  • Ik heb me al gedoucht.

Slide 16 - Slide

schrijfvaardigheid_LUK 2
- De student schrijft zelf met pen (geen potlood).
- De student heeft 30 minuten voor de schrijfopdracht.   
Na afloop van het maken van de schrijfopdracht
- De student maakt een foto van zijn/haar brief en uploadt originele handgeschreven brief, in de les, in het ontwikkelportfolio bij LUK 2. 

Belangrijk: naam bewijs moet zijn: “Themaopdracht Schrijfopdracht LUK 2_Experiencias de viaje versie 1”. 

Slide 17 - Slide

Unidad 10 Hoy: 1 t/m 4 TB
Tengo planes:
- planes para el tiempo libre
- ¿Cómo quedamos? een voorstel doen, aanemen / afwijzen
- een afspraak maken (tijd/plaats)

Slide 18 - Slide

Nr. 2a+b TB p. 88
ir + a + infinitief

iets wat je gaat doen, een voornemen of iets in de nabije toekomst uitdrukken.

Ej. Voy a comer en un restaurante de tapas esta tarde.
60: beantwoord de 4 vragen

Slide 19 - Slide

Nr. 3 TB p. 88
¿Quedamos?

zie pagina 88 Post-it en p.  96 TB comunicación
iets voorstellen (prop, iets afwijzen, iets accepteren/aannemen

Slide 20 - Slide

¿De qué tienes ganas hoy?
zin hebben in/om
TENER + GANAS DE + INF (hele werkwoord)
Je vervoegt "tener"
Voorbeeld:

Tengo ganas de quedar con mis amigos en un bar

Slide 21 - Slide

Oef. 3c. pag. 89. Stel: Vandaag wordt de les afgezegd. Stel elkaar deze activiteiten voor. De ander reageert hierop. Schrijf 3 dialogen uit









1. tomar una cerveza/un café
2. ver una película en casa
3. cenar/almorzar en un restaurante mexicano
4. hacer los deberes de español
5. jugar a las cartas
6. ir a la sauna/ a la piscina
7. dar un paseo
Voorbeeld:
¿Vienes conmigo a tomar una cerveza?
- De acuerdo / vale. Qué pena, pero no puedo. Es que...

Slide 22 - Slide

¡A trabajar en grupos!
eerst spreekvaardigheid (volgende slide)
WB Unidad 10: 1a, 7, 9 en dan 1b, 5, 6, 8, 10 & 12
huiswerk: dit afmaken 

Slide 23 - Slide