Capítulo 6 - les toets gram y voc mavo 2

Bienvenidos a la clase de español
Hoy es miércoles, 10 de abril
1 / 24
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Bienvenidos a la clase de español
Hoy es miércoles, 10 de abril

Slide 1 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
  • SER/ ESTAR / HAY
  • Herhaling: Voltooid tegenwoordige tijd: presente perfecto
  • vragen
  • Toets

Slide 2 - Slide

¿Cuál es la meta de hoy? 

Aan het einde van de les:
  • ken ik de 4 onregelmatige werkwoorden bij vtt in het Spaans
  • weet ik wat ik nog goed moet gaan leren voor volgende week 

Slide 3 - Slide

Las reglas:
Respect:
Mag niet meer naar de wc tijdens de les
Als iemand praat is de rest stil
Ik steek me vinger op als ik iets wil zeggen
We maken elkaar niet belachelijk
Mobiele telefoon in je kluisje

Slide 4 - Slide

Capítulo 6
En verano en Cádiz





Slide 5 - Slide

Verschil tussen SER/ ESTAR/ HAY



.

Slide 6 - Slide

ESTAR
Plaatsbepaling:
- dónde
- en
- al lado de
- cerca




Slide 7 - Slide

SER
Omschrijving:
- kleur (es azul, es rojo, etc.)
- maat (es grande, es pequeño)
- beschrijving van iets (es fantástica)
- beroep (es profesora, es doctor)
-karaktereigenschap (es amable)
- familie (es mi prima)




Slide 8 - Slide

Hay

Er is/ er zijn:

-Hoeveelheden (un, dos, tres)
-Hoeveelheden (mucho, poco)
- Er is geen (no ......)
-Alles zonder plaatsbepaling of omschrijvingen


Slide 9 - Slide

¿Qué vamos a hacer?
Wat? Libro de ejercicio pág. 97 en 98, ejerc. 26 a en 27
Hoe? Individueel in stilte
Hulp: Libro de texto pág. 56, fuente I
Tijd: 15 minuten
Uitkomst: Ik weet wanneer ik ser, estar of hay moet gebruiken
Klaar? Libro de ejercicio pág. 107, ejerc. 3 y 4

Slide 10 - Slide

Presente perfecto
Capítulo 6
   
    haber + ado   
haber + ido

Esta mañana ....

Slide 11 - Slide

Wat is het verschil tussen het werkwoord ser en estar?
VTT - Presente perfecto (p. 53)

yo
él/ ella/ usted
nosotros
vosotros
ellos/ ellas/ ustedes
HABER
he
has
ha
hemos
habéis
han

ww: -AR
stam +ado

ww: -ER / -IR
stam +ido
timer
6:00

Slide 12 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden:
.
1. yo = yo
2. tú = tú
3. él / ella/ usted = één naam/ enkelvoud
4. nosotros = ......... y yo 
5. vosotros = .......... y tú 
6. ellos/ ellas/ ustedes = twee namen/ meervoud

Slide 13 - Slide

Vul de juiste vormen van de presente perfecto in de zinnen.
.
1. Esta semana Laura (viajar) ___________ a Barcelona.
2. Hoy (yo, pensar) ___________ mucho.
3. Diego (estar) ___________ enfermo.
4. Daniela y tú (hablar) ________________ francés.
5. Esta mañana tú (desayunar) ____________ cereales.
6. Este año Paula y yo (ser) ___________ compañeras.

Slide 14 - Slide

Wat is het verschil tussen het werkwoord ser en estar?
Presente perfecto

  1. yo
  2. él/ ella/ usted
  3. nosotros
  4. vosotros
  5. ellos/ ellas/ ustedes
haber + -ado

haber + -ido

Slide 15 - Slide

Wat is het verschil tussen het werkwoord ser en estar?
Onregelmatig

yo
él/ ella/ usted
nosotros
vosotros
ellos/ ellas/ ustedes
HABER
he
has
ha
hemos
habéis
han


decir = dicho
hacer = hecho
escribir = escrito
ver = visto

Slide 16 - Slide

Vul de juiste vormen van de presente perfecto in de zinnen.
.
1. Esta semana Laura ha viajado a Barcelona.
2. Hoy he pensado mucho.
3. Diego ha estado enfermo.
4. Daniela y tú habéis hablado francés.
5. Esta mañana tú has desayunado cereales.
6. Este año Paula y yo hemos sido compañeras.

Slide 17 - Slide

10 de abril del 2024
Wat? Maak de toets 
Hoe? Individueel in stilte
Hulp: Geen hulpmiddel
Tijd: 60 minuten
Uitkomst: Ik ben klaar met vocabulario y gramática van Capítulo 6
Klaar? Na het inleveren van je toets, mag je je Chromebook gebruiken

Slide 18 - Slide

Wat doe je in de ochtend?
Blooket

play.blooket.com

Slide 19 - Slide

¿Cuál era la meta de hoy? 

Aan het einde van de les:
  • ken ik de 4 onregelmatige werkwoorden bij vtt in het Spaans
  • weet ik wat ik nog goed moet gaan leren voor volgende week 

Slide 20 - Slide

Kies het juiste onbepaald lidwoord.
2. Compré __________ manzanas en el supermercado.
A
un
B
una
C
unos
D
unas

Slide 21 - Quiz

Kies het juiste onbepaald lidwoord.
3. Necesito __________ bolígrafo para tomar apuntes.
A
un
B
una
C
unos
D
unas

Slide 22 - Quiz

Kies het juiste onbepaald lidwoord.
4. Quiero comprar __________ zapatos nuevos.
A
un
B
una
C
unos
D
unas

Slide 23 - Quiz

Quizlet
https://ap.lc/wzBbJ

Slide 24 - Slide