Herhaling klas 1 - formuleren

Toetsweek
- Spelling paragraaf 2, 3, 6 + herhaling klas 1
- Formuleren paragraaf 2 en 3
1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Toetsweek
- Spelling paragraaf 2, 3, 6 + herhaling klas 1
- Formuleren paragraaf 2 en 3

Slide 1 - Slide

Vandaag
- Uitleg formuleren 2 en 3
- Oefenen spelling - online

Slide 2 - Slide

Variatie in woordgebruik?
De honden van Maxim stoeien met elkaar verderop op het strand. Dan roept Maxim dat de honden moeten komen, maar de honden negeren Maxims bevel en stoeien gewoon door. Waarom blijven die honden stoeien, als ik mijn honden roep? vraagt Maxim zich af.

Slide 3 - Slide

Variatie in woordgebruik?
De honden van Maxim stoeien met elkaar verderop op het strand. Dan roept hij dat ze moeten komen. Maar de viervoeters negeren zijn bevel en ravotten gewoon door. Waarom blijven die beesten spelen als ik ze roep? vraagt hij zich af.


Uitleg: synoniemen en verwijswoorden

Slide 4 - Slide

Variatie in zinsopbouw?


Twee kwajongens kwamen bij mijn moeder belletje trekken.
Ze liep voor niets naar de deur. De vlegels belden nog eens aan. Moeder opende voor de tweede keer de deur. Niemand. Ze verstopte zich achter het gordijn. De rekels belden opnieuw aan. 

Slide 5 - Slide

Variatie in zinsopbouw?

Twee kwajongens kwamen bij mijn moeder belletje trekken. (OPA) Ze liep voor niets naar de deur. (OPA) Even later belden de vlegels nog eens aan, waarop moeder voor de tweede keer de deur opende. (APO) Omdat er weer niemand stond, verstopte moeder zich achter het gordijn, waar ze wachtte tot de rekels opnieuw aanbelden. (PA)

Slide 6 - Slide

Oefenen
Online planning paragraaf 2 en 3

Slide 7 - Slide

Herhaling klas 1 - formuleren

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

Verwijswoorden


de-woorden: verwijs met deze of die



het-woorden: verwijs met dit of dat

de-woorden en het-woorden
Deze deur is op slot, maar die daar is wel open.
(de deur)
Dat paard is wild, maar dit hier is rustig.
(het paard)

Slide 10 - Slide

Verwijswoorden


vrouwelijke woorden: verwijs met zij of haar


mannelijke woorden: verwijs met hij of zijn


onzijdige woorden: verwijs met het of zijn

vrouwelijk / mannelijk / onzijdig
Als mijn tante komt logeren, neemt zij haar hondjes mee.
Ben gaat zwemmen en hij neemt zijn duikbril mee.
Het rugbyteam behaalde zijn eerste beker.

Slide 11 - Slide

Verwijswoorden


bij overtreffende trap:


bij een onbepaald voornaamwoord:


bij een hele zin:

wat
het liefste wat ik wil is een voldoende voor mijn toets
alles wat ik wil is een lange vakantie
Op vakantie hebben we gekanood, wat heel leuk was

Slide 12 - Slide

Verwijswoorden

hun:



hen:

hun of hen

hun iPad (bezittelijk voornaamwoord)

Ik geef hun een iPad (meewerkend voorwerp zonder voorzetsel)

die jongen heeft hen voorgelogen (lijdend voorwerp)

Ik geef een iPad aan hen (na een voorzetsel)

Slide 13 - Slide

Verwijswoorden

met wie:



waarmee (waarvoor, waartegen, ...):

met wie / waarmee

verwijzen naar personen

de klasgenoot met wie ik afgesproken had, is helaas ziek

verwijzen naar dieren of dingen

dat is het paard  waarvoor ik bang ben

de bus waarmee we naar Berlijn reisden, was comfortabel

dat is de deur waartegen ik gebotst ben

Slide 14 - Slide

De fiets ___ ik jarenlang naar school fietste, is gestolen.
A
op wie
B
waarop

Slide 15 - Quiz

De jongen ___ Madelon verliefd is, heet Wietse.
A
op wie
B
waarop

Slide 16 - Quiz