Oefenen H6

Wat doet een reedcontact als je er een magneet bij houdt?
A
Licht geven.
B
De magneet aantrekken.
C
Zorgen voor een gesloten stroomking.
D
Geluid geven.
1 / 42
next
Slide 1: Quiz
NatuurkundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson

Wat doet een reedcontact als je er een magneet bij houdt?
A
Licht geven.
B
De magneet aantrekken.
C
Zorgen voor een gesloten stroomking.
D
Geluid geven.

Slide 1 - Quiz

Hoeveel aansluitingen heeft een transistor?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 2 - Quiz

Wat is een NTC
A
een weerstand die reageert op warmte
B
een weerstand die reageert op stof
C
een weerstand die reageert op licht
D
een weerstand die reageert op water

Slide 3 - Quiz

Wanneer er meer licht op een LDR valt, wordt de weerstand ...... en de stroomsterkte door de LDR ......
A
Groter, Kleiner
B
Kleiner, Groter
C
Groter, Blijft Gelijk
D
Kleiner, Kleiner

Slide 4 - Quiz

Een transistor is een elektrische schakelaar. Welke 3 aansluitpunten heeft de transistor?
A
a, b, c
B
b, c, d
C
b, c, e
D
c, d, e

Slide 5 - Quiz

Een transistor wordt opgenomen als schakelaar. Door welk onderdeel wordt de transistor bediend?
A
Door de basis
B
Door de emitter
C
Door de collector
D
Door een draadje

Slide 6 - Quiz

Hoeveel Ohm weerstand heeft deze weerstand?
Wit, zwart, oranje?
A
90.000 Ohm
B
90K Ohm
C
9K Ohm
D
9.000 Ohm

Slide 7 - Quiz

Dit is het symbool van een transistor.
Waar staat de B voor?

Slide 8 - Open question

Wat is een LDR
A
een weerstand die reageert op warmte
B
een weerstand die reageert op stof
C
een weerstand die reageert op licht
D
een weerstand die reageert op water

Slide 9 - Quiz

Een NTC en een LDR zijn veranderlijke weerstandjes.
Hoe verandert de weerstand van een LDR als er meer licht op de LDR valt?
De weerstand wordt dan ................
A
hoger
B
lager
C
blijft gelijk
D
wordt nul

Slide 10 - Quiz

De weerstand van een NTC kan snel veranderen.
Wanneer wordt de weerstand van een NTC groter?
A
Meer licht op de NTC
B
Minder licht op de NTC
C
Temperatuur van de NTC daalt.
D
Temperatuur van de NTC stijgt.

Slide 11 - Quiz

De weerstand is 2,5KΩ. Welke weerstand kunnen ze het beste gebruiken?
A
Rood-groen-zwart-bruin
B
Rood-groen-rood-goud
C
Rood-groen-zwart-goud
D
Rood-groen-oranje-goud

Slide 12 - Quiz

Een transistor regelt de stroom voor een ventilator in een computer. Hoe gaat de grote stroom door de transistor?
A
van de basis naar de emitter
B
van de collector naar de basis
C
van de collector naar de emitter
D
van de emitter naar de collector

Slide 13 - Quiz


Een weerstand is 2500Ω.
Welke weerstand kan je het beste gebruiken?
A
Rood-groen-zwart-bruin
B
Rood-groen-rood-goud
C
Rood-groen-zwart-goud
D
Rood-groen-oranje-goud

Slide 14 - Quiz

Wat is er nodig om een reedcontact te sluiten of te openen?
A
Stroom bij de basis
B
Magneet
C
Spoel
D
schakelaar

Slide 15 - Quiz

Een weerstand heeft een waarde van 42000 ohm. Wat is de kleurencode van deze weerstand?
A
Rood-oranje-geel
B
Geel-zwart-oranje
C
Geel-rood-zwart
D
Geel-rood- oranje

Slide 16 - Quiz

Waarom is in deze schakeling gebruik gemaakt van relais?

Slide 17 - Open question

Wat is een voordeel van een relais
A
Detecteren of een schakeling geopend of gesloten is.
B
De stroomrichting één kant op laten gaan.
C
Een grote stroomkring activeren met een kleine stroom.
D
De spanning verlagen tot een veilig niveau.

Slide 18 - Quiz

In een relais zit een ...
A
permanente magneet
B
transformator
C
batterij
D
spoel

Slide 19 - Quiz

32 In veel automatische schakelingen wordt een relais gebruikt. Waarvoor gebruik je een relais?
A
om een grote stroom om te zetten in een kleine stroom
B
om een grote stroom te kunnen schakelen met een kleine stroom
C
om een kleine stroom om te zetten in een grote stroom
D
om een kleine stroom te kunnen schakelen met een grote stroom

Slide 20 - Quiz

Wat is een relais?
A
Een elektrische schakelaar
B
Een magnetische schakelaar
C
Een lichtschakelaar
D
Een drukschakelaar

Slide 21 - Quiz

Wat is de functie van het relais?
A
Het relais meet de spanning
B
Het relais werkt als spanningsdeler
C
Het relais meet de stroomsterkte
D
Het relais werkt als schakelaar

Slide 22 - Quiz

In een schakeling is een relais opgenomen als schakelaar.
Door welk onderdeel wordt het relais bediend?

A
door het anker
B
door het breekcontact
C
door de elektromagneet
D
door de spoel

Slide 23 - Quiz

Sleep de componenten naar de juiste benaming
Relais
Zekering
Motor
Batterij
Contact-
slot

Slide 24 - Drag question

Verbind de juiste naam aan elk onderdeel.
Relais
NTC
Reedcontact
Weerstand
LDR
Transistor

Slide 25 - Drag question

batterij
reedcontact
relais
schakelaar

Slide 26 - Drag question

omrekenen van ampere.
1 A = ......... mA
A
10 mA
B
100 mA
C
1000 mA
D
0,1 mA

Slide 27 - Quiz

Waaruit bestaat een gesloten stroomkring?
A
spanningsbron-stroomdraden-lamp-
B
spanningsbron-lamp
C
spanningsbron-stroomdraden
D
spanningsbron

Slide 28 - Quiz

Wat is géén spanningsbron?
A
Stopcontact
B
Batterij
C
Accu
D
Lampje

Slide 29 - Quiz

welk onderdeel levert elektriciteit?
A
stroomdraden
B
spanningsbron
C
lamp
D
schakelaar

Slide 30 - Quiz

Elektrische stroom vervoert elektrische energie. Hoeveel energie er wordt vervoerd, hangt af van de spanning en de stroomsterkte.
Hier staan vier uitspraken daarover. Welke uitspraak is waar?
A
Als je de stroom inschakelt, komt het vervoer van energie op gang.
B
Als je de stroom uitschakelt, is de spanning ook verdwenen.
C
Een hoge spanning vervoert evenveel energie als een lage spanning.
D
Hoe meer stroom er loopt, hoe minder energie er wordt vervoerd.

Slide 31 - Quiz

Is dit een serieschakeling of een parallelschakeling?
A
serieschakeling
B
parallelschakeling

Slide 32 - Quiz

geleider of isolator:
metaal
A
geleider
B
isolator

Slide 33 - Quiz

geleider of isolator:
plastic
A
geleider
B
isolator

Slide 34 - Quiz


A
Stroommeter
B
Spanningsmeter
C
Spanningsbron
D
Lampje

Slide 35 - Quiz

Op de afbeelding zie je een....
A
Zekering
B
Schakelaar
C
Lampje
D
Weerstand

Slide 36 - Quiz

Is het een serieschakeling of een parallelschakeling?
A
Serie
B
Parallel
C
Geen van beide
D
Beide

Slide 37 - Quiz

Een gloeilamp verbruikt 20 W.
Het staat 1 minuut aan.
Hoeveel energie heeft het verbruikt?

Slide 38 - Open question

Een elektrisch kacheltje met een vermogen van 2500 W staat 3 uur aan.
Hoeveel kWh heeft het verbruikt? Wat kostte dat ongeveer?

Slide 39 - Open question

Welk symbool zie je hier
A
lamp
B
draad
C
schakelaar
D
batterij

Slide 40 - Quiz

Omrekenen van ampere
10mA= ............A
A
1A
B
100A
C
0,010A
D
0,10A

Slide 41 - Quiz

Hoeveel duidt de meter aan?

Slide 42 - Open question