Inventariseren van de wensen

Inventariseren van de wensen
Om je werk goed te laten aansluiten bij de zorgvrager, moet je weten wat zijn wensen en behoeften zijn. 
1 / 19
next
Slide 1: Slide
VerzorgingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Inventariseren van de wensen
Om je werk goed te laten aansluiten bij de zorgvrager, moet je weten wat zijn wensen en behoeften zijn. 

Slide 1 - Slide

Geef een voorbeeld van een wens en een behoefte

Slide 2 - Open question

Wensen en behoeften
Behoeften zijn dingen die nodig zijn:
Bijvoorbeeld: voldoende eten en drinken, veiligheid, medicatie, persoonlijke verzorging, rust en slaap.

Wensen zijn dingen die iemand graag wil, maar die niet per se nodig zijn:
Bijvoorbeeld: op een bepaalde tijd naar bed, een douche in plaats van een bad, bezoek krijgen van een bepaald familielid, een bepaalde hobby doen.

Slide 3 - Slide

Inventariseren
  • De zorgvrager te observeren
  • Vragen te stellen aan de zorgvrager
  • Actief te luisteren naar de zorgvrager
  •  Verdiepen in het levensverhaal van de zorgvrager
  • Contact te hebben met naasten van de zorgvrager
  • Contact te hebben met collega's

Slide 4 - Slide

Wat zou je doen wanneer de zorgvrager altijd dezelfde kleding aan wil?

Slide 5 - Open question

Wat zou je doen wanneer de bedlegerige zorgvrager in bed onder begeleiding wil roken?

Slide 6 - Open question

Opdracht 
Meneer de Vries

Slide 7 - Slide

Lichaamstaal is een vorm van non-verbale communicatie
A
Waar
B
Niet waar

Slide 8 - Quiz

Bij goede communicatie is alleen spreken belangrijk
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quiz

Als een zorgvrager niet reageert, betekent dat dat hij of zij niet luistert
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quiz

Een open vraag begint vaak met "wat", "hoe" of "waarom"
A
Waar
B
Niet waar

Slide 11 - Quiz

Je moet altijd doorpraten, ook als de zorgvrager geen interesse toont
A
Waar
B
Niet waar

Slide 12 - Quiz

Zorgverleners gebruiken communicatie ook om vertrouwen op te bouwen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 13 - Quiz

Actief luisteren betekent dat je knikt, oogcontact maakt en samenvat wat de ander zegt
A
Waar
B
Niet waar

Slide 14 - Quiz

Iedereen begrijpt een boodschap op dezelfde manier
A
Waar
B
Niet waar

Slide 15 - Quiz

Je kunt een gevoel beter uitdrukken met woorden dan met houding of gezichtsuitdrukking
A
Waar
B
Niet waar

Slide 16 - Quiz

Een gesloten vraag kun je beantwoorden met "ja" of "nee"
A

Slide 17 - Quiz

Je houding en gezichtsuitdrukking kunnen je woorden versterken of juist tegenspreken
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quiz

Goed communiceren helpt misverstanden en fouten in de zorg te voorkomen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 19 - Quiz