TaalCompleet B1 les 1.2

TaalCompleet B1 les 1.2


1 / 47
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

TaalCompleet B1 les 1.2


22. Bespreek samen

1. Kijk naar de plaatjes. Waar denk je aan bij het woord cultuur?

2. Wat weet jij over Nederland en de Nederlandse cultuur?


Wat is waar? 

A. In Nederland is vrijheid heel belangrijk. 

B. Nederlanders maken graag een afspraak als ze op bezoek gaan. 

C. Nederlanders zijn beleefd. 

D. In Nederland zorgen kinderen zelf voor hun zieke, oude ouders.


3. Is dit hetzelfde als in jouw cultuur?

  1. Je gaat in opdracht 24 naar een interview met Yasamin enb John kijken. Kijk naar de foto bij opdracht 24.

  2. Wat ga je zien en horen denk je?

A

Yasamin en John geven antwoorden op vragen

B

Yasamin en John praten met elkaar

C

Yasamin en John stellen vragen

  1. Yasmin en John komen allebei uit een andere cultuur. Welke vragen krijgen ze denk je

a. Hoe is de natuur in jouw land?

b. Kom je uit een leuke familie?

c. Wat is nu een groot verschil met de Nederlandse cultuur?

d. Wat kunnen Nederlanders van jullie cultuur leren?

e. Wat missen jullie in Nederland?

f. Woon je graag in Nederland?

Taal Compleet

samen

25

26

27


  1. Schrijf zinnen

Gebruik een apart papier. Schrijf 5 (of meer)zinnen over jouw cultuur.

Lever het in bij je docent.

  1. Spreek samen

  1. Mensen vieren vaak feest.

  2. Waar ik vandaan kom, zijn mensen meestal buiten.

  3. Kleine kinderen moeten helpen geld te verdienen.

  4. Geloof speelt een belangrijke rol in het leven.

  5. In mijn cultuur zijn mannen even belangrijk als vrouwen.

  6. Werknemers mogen hun mening geven aan hun baas.

  7. Iedereen mag trouwen met wie hij of zij wil.

  8. Mensen zijn trots op hun land.

A : lees zin voor

B: Klopt dit voor jouw cultuur? leg ook uit waarom (niet)

A: Kopt dit voor jouw cultuur? leg ook uit waarom (niet).

  1. Bespreek de vragen

Werk in groepjes.


  1. Waar kom je vandaan?

  2. Hoelang woon je in Nederland?

  3. Wat is belangrijk in jouw cultuur?

  4. Wat is een groot verschil met de Nederlandse cultuur?

  5. Wat mis je in Nederland?

  6. Wat kunnen Nederlanders van jouw cultuur leren?

  7. Wat kan jouw cultuur van Nederland leren?

  8. .......

Nieuwe woorden

beleefd

God

het interview

het landschap

in het openbaar

een rol spelen

het verzorgingshuis

gevlucht, vluchten

de beslissing (nemen)

direct

gastvrij

eenzaam

de gevangenis

heimwee hebben/krijgen

lievelings-

onafhankelijk

het onderdeel

de ruimte

het wapen

de woestijn


Oefening 32

  1. Waarom vluchten mensen?

  2. Wanneer moet je naar de gevangenis?

  3. Wanneer ga je naar een verzorgingshuis?

  4. Waarvoor gebruik je een wapen?

  5. Wat lees je in een interview?

  6. Hoe is het weer in de woestijn?

33. 1 - In Nederland zie je veel water in

A

het landschap

B

de woestijn

C


33. 2 - In mijn huis heb ik geen ... voor mijn grote meubels.

A

ruimte

B

wapens

C


33. 3 - Ik wil niet ... over mijn problemen praten.

A

eenzaam

B

in het openbaar

33. 4 - Die vrouw wil ... in de geschiedenis van haar land.

A

heimwee krijgen

B

een rol spelen

C


33. 5 - Ik vind kennismaken met een andere ... heel interessant.

A

cultuur

B

gevangenis

33. 6 - Waarom ben je zo ...? Je hoeft niet meteen alles te zeggen.

A

direct

B

gastvrij

33. 7 - Wat is je ...? Ik houd veel van honden.

A

beleefd

B

lievelingsdier

33. 8 - Een stage is een ... van de opleiding zorg en welzijn.

A

onderdeel

B

beslissing

34.1 Belgie werd in 1830 o........

Het kreeg toen een eigen regering.

34.2 De Sahara is een grote w......

34.3. In mijn tuin is geen r...... voor een grote boom.

34.4 Lezen is een o..... van de Nederlandse les.

34.5 Twee jaar geleden ben ik verhuisd. Dat was een goede b.....

34.6 Mijn ouders hebben vaak bezoek. Zij zijn heel g.......

35 - Beantwoord de vragen

  1. Wat eet je graag? (lievelingseten)

  2. Wat heeft een agent altijd bij zich? (een wapen)

  3. Zeg jij altijd wat je denkt? (direct)

  4. Denk jij veel aan je land? (heimwee hebben)

  5. Een man heeft veel geld gestolen. Waar moet hij naartoe? (de gevangenis)

  6. Je buurman heeft geen familie. Hoe voelt hij zich? (eenzaam) 

Woorden leren -

vaste woordcombinaties

naar huis gaan

een beslissing nemen

een fout maken


heimwee hebben/krijgen

ziek zijn/worden

je rijbewijs halen/hebben

een opleiding doen/volgen

in dienst komen/zijn

een baan hebben/krijgen

stage lopen


en nog veel meer (zie boek)



Opdracht 38: zoek bij elkaar!

De cursist geeft

De vrouw maakt

Het kind heeft het

Het meisje wordt

De buitenlander krijgt

De werknemer gaat

koud

antwoord

heimwee

naar huis

lid van de sportclub

een fout

40.1 - De vrouw ... het erg warm

40.2 - De cursist ... een antwoord op de vraag.

40.3 - Ik ... een geweldig idee!

40.4 Kun jij dat probleem...?

40.5 - Ik ... pijn in mijn voet.

40.6 - Wil jij lid ... van een sportclub?

40.7 - Ze ... in september een kind.

40.8 - Ik ... haast!

Opdracht 41: Maak zinnen met de woorden


41. 1 - een beslissing

41. 2 - een fout

41. 3 - heimwee

41. 4 - zin

41. 5 - een afspraak

41. 6 - een baan

41. 7 - een opleiding

41. 8 - honger

40.1 - De vrouw ... het erg warm

Maak de online opdrachten bij 1.2