Hoofdstuk 5 Nig

Schrijf vijf activiteiten op in je 'agenda'. 
Houd je afspraken geheim
1 / 37
next
Slide 1: Slide
NT2Beroepsopleiding

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Schrijf vijf activiteiten op in je 'agenda'. 
Houd je afspraken geheim

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide


A
knoflook
B
bloemkool
C
peterselie
D
boerenkool

Slide 3 - Quiz


A
knoflook
B
andijvie
C
peterselie
D
boerenkool

Slide 4 - Quiz


A
knoflook
B
andijvie
C
komkommer
D
boerenkool

Slide 5 - Quiz


A
wortel
B
andijvie
C
komkommer
D
boerenkool

Slide 6 - Quiz


A
wortel
B
andijvie
C
rode kool
D
boerenkool

Slide 7 - Quiz

pluralis
-en 
een syllabe
uien, kolen, bonen
benen, rampen, koppen, spellen
maar ook
aardappelen
sinaasappelen

-s 
meer syllabes: courgettes, aubergines, wortels
eindigend op: - el, -em, -en, -er, -e
winkels, 
leenwoorden van een syllabe: films
-'s 
eindigend op a, i, o, u of y (uitspraak)
paprika's, kiwi's, auto's, paralu's, lolly's

Slide 8 - Slide

geen meervoud
cent / centen - dertig cent / een paar centen
jaar / jaren - vijftig jaar / ik heb jaren gewerkt
uur / uren - het duurt zes uur / ik heb uren gewacht
euro / euro's - acht euro / heb jij nog euro's?
kilo / kilo's - tien kilo / we hebben kilo's aardappelen


opdracht 3

Slide 9 - Slide

adjectief




de courgette - een kleine courgette
de paprika - een gele paprika
het tomaatje - een mooi tomaatje
een Turks restaurant
een Turkse bakker

Slide 10 - Slide

adjectief
de-woorden

jongen

De jongen (is mooi).
de mooie jongen
een mooie jongen
het-woorden

meisje

Het meisje (is mooi).
het mooie meisje
een mooi meisje

Slide 11 - Slide

de ... courgette
A
klein
B
kleine

Slide 12 - Quiz

een ... courgette
A
klein
B
kleine

Slide 13 - Quiz

het ... café
A
klein
B
kleine

Slide 14 - Quiz

een ... café
A
klein
B
kleine

Slide 15 - Quiz

een ... idee
A
goed
B
goede

Slide 16 - Quiz

een ... film
A
fantastisch
B
fantastische

Slide 17 - Quiz

een ... bril
A
leuk
B
leuke

Slide 18 - Quiz

een ... weekend
A
prettig
B
prettige

Slide 19 - Quiz

maak
opdracht 4

Kies de goede vorm van het adjectief


Slide 20 - Slide

1.
De koning en de koningin komen eten!
Wat ga je koken?
Wat koop je?
2.
Maak een boodschappenlijstje met tien dingen.
(denk aan de pluralis)

Slide 21 - Slide

opdracht 7 
in tweetallen
gebruik eventueel de zinnen uit 5.1
opdracht 6 
twee producten,
bij één product een vraag

Slide 22 - Slide

de markt

Slide 23 - Mind map

hoofdzin
bloemkool

Slide 24 - Open question

hoofdzin met inversie
appels

Slide 25 - Open question

ja/nee-vraag
tomatensoep

Slide 26 - Open question

informatievraag
de markt

Slide 27 - Open question

reizen
stam = reiz
ik-vorm = reis
ik-vorm + t = reist
Gaan
stam = gaa
ik-vorm = ga
stam + t = gaat
Werken
stam = werk
ik-vorm = werk
ik-vorm + t = werkt
Verven
stam = verv
ik-vorm = verf
ik-vorm + t = verft
imperatief
Werk door. 
Ga zitten. 
Verf de schuur. 
Geef een biertje.

Slide 28 - Slide

Geven
stam = gev
ik-vorm = geef
ik-vorm + t = geeft
Gaan
stam = gaa
ik-vorm = ga
stam + t = gaat
Werken
stam = werk
ik-vorm = werk
ik-vorm + t = werkt
Verven
stam = verv
ik-vorm = verf
ik-vorm + t = verft
imperatief
Werk door. Ga maar zitten. 
Verf de schuur maar. Geef mij even een biertje.

beleefd - ik-vorm + t + u  
Werkt u maar door. Gaat u maar even zitten. 
Verft u de schuur maar. Geeft u mij maar een biertje.

Slide 29 - Slide

maar, maar even, eens



.


Maak opdracht 5! 
Maak opdracht 5 maar.

Schrijf je naam op! 
Schrijf je naam maar even op.

Geef me die pen! 
Geef me die pen eens?

Slide 30 - Slide

instructie
Bedenk vijf instructies.
Geef de instructies aan je mede-cursist(en).

bijvoorbeeld:
Doe het licht aan.

Slide 31 - Slide

Hollandse winterkost
Welke imperatieven komen in de tekst voor?


blz. 80

Slide 32 - Slide

slipper
sandaal
boodschappen
winkelen
eetcafe
restaurant
jurk
rok
vleeswaren
vlees
warenhuis
supermarkt
blouse
overhemd
apotheek
drogist
bakker
banketbakker
poelier
slager

Slide 33 - Slide

uitspraak

Slide 34 - Slide

benodigdheden
  • Parmezaanse kaas 
  • boter
  • ui 
  • rijst 
  • wijn 
  • bouillon
  • peper 
  • zout
Imperatieven
rasp
fruit
kies
verhit
voeg ... toe 
bak ... mee 
roer 
kook ... mee 
herhaal 
zet ... uit 
doe 
laat 
neem 
breng 
serveer

Slide 35 - Slide

1.
maak een woordwolk
www.woordwolk.nl
2.
maak een hoofdzin
Hoofdzin met inversie
ja/nee-vraag
vraagwoordzin

Slide 36 - Slide

huiswerk
  • blz. 74, opdracht 2
  • blz. 81, opdracht 13
  • blz. 82, cultuur: vertel iets over de eetcultuur in je land.
  • Koop iets (op de markt) in het Nederlands.
  • gebruik drie nieuwe woorden

Reflectie op blz. 83
Verdiepingsmateriaal op blz. 83

Slide 37 - Slide