5.3 Assimilatie en dissimilatie

Wateropname en transport 
1 / 25
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Wateropname en transport 

Slide 1 - Slide

Waterpotentiaal
  • Water beweegt van hoog naar laag waterpotentiaal

  • Osmotisch potentiaal wordt negatiever met meer opgeloste stoffen
  • Drukpotentiaal wordt positiever met hogere turgordruk

Slide 2 - Slide

Een pantoffeldiertje neemt water op door osmose. Waar is de waterpotentiaal dan het hoogst?
A
in het pantoffeldiertje
B
buiten het pantoffeldiertje
C
binnen en buiten het pantoffeldiertje is waterpotentiaal gelijk

Slide 3 - Quiz

En waar is de osmotische waarde dan het hoogst?
A
in het pantoffeldiertje
B
buiten het pantoffeldiertje
C
binnen en buiten het pantoffeldiertje is osm. waarde gelijk

Slide 4 - Quiz

Er komt strooizout in de berm terecht. Wat gebeurt er met de wateropname door de wortels van de bermplanten?
A
Groter want de Ψs van het grondwater stijgt.
B
Groter want de Ψs van het grondwater daalt
C
Kleiner want de Ψs van het grondwater stijgt
D
Kleiner want de Ψs van het grondwater daalt

Slide 5 - Quiz

5.3 Assimilatie en dissimilatie 
in planten

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Leerdoelen
  • Je kunt uit de opname en afgifte van zuurstof en koolstofdioxide door een plant de intensiteit van de fotosynthese (koolstofassimilatie) afleiden

  • Je kunt beschrijven hoe opslag van assimilatieproducten (orgnaische stoffen) in planten plaatsvindt


Slide 8 - Slide

Van welke factoren is de intensiteit van fotosynthese afhankelijk?

Slide 9 - Open question

Intensiteit fotosynthese
  • = snelheid waarmee glucose wordt gevormd en zuurstof vrijkomt
  • Bepaald door factor die het minst gunstig  is: beperkende factor

Slide 10 - Slide

Huidmondjes 

Slide 11 - Slide

Gaswisseling

Slide 12 - Slide

Gaswisseling huidmondjes 
Bij planten gaswisseling door huidmondjes, overdag open, 's nachts dicht.

Door huidmondjes meeste water weg door verdamping; Vooral bij warme, droge of winderige omstandigheden.
Teveel verloren: huidmondjes gaan dicht, daardoor ook minder assimilatie


Slide 13 - Slide

licht
Niet alle kleuren uit het zonlicht worden gebruikt.

NIET - groen (en daarom zien wij de plant als groen)
WEL - blauw/ paars en oranje/ rood

Slide 14 - Slide

Hoe zou je de fotosynthese activiteit kunnen meten?

Slide 15 - Open question

Bepalen van fotosynthese-intensiteit
  • Niet direct te bepalen
  • Deel O2 vrijkomt ook weer gebruikt kan worden

Stel dissimilatie overdag = dissimilatie 's nachts

Slide 16 - Slide

Overdag: fotosynthese + dissimilatie
's Nachts: dissimilatie

Slide 17 - Slide

Bepalen van de intensiteit
Stel dissimilatie overdag = dissimilatie 's nachts

Zuurstofproductie overdag + zuurstofverbruik 's nachts optellen  (compensatie van dissimilatie)

Je kan ook opgenomen/afgegeven CO2 gebruiken

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

P: dissimilatie
= constant gedurende dag en nacht, 
hier 200 ml zuurstof per uur opgenomen

Q: compensatiepunt

R: 250 ml zuurstof/u afgegeven: -200 ml = 450 ml fotosynthese activiteit

Slide 20 - Slide

Waar verwacht je meer chlorofyl?
A
In bladeren van zonplanten
B
In bladeren van schaduwplanten

Slide 21 - Quiz

Je geeft plant 1 alleen licht met een golflengte van 480nm en plant 2 alleen licht met een golflengte van 550nm. Welke plant verwacht je dat er sneller groeit?
A
Plant 1
B
Plant 2
C
Beide planten groeien even snel

Slide 22 - Quiz

Hoeveel zuurstof
produceert de
plant bij 6 lux?
A
600 ml/uur
B
200 ml/uur
C
400 ml/uur
D
1000 ml/uur

Slide 23 - Quiz

Opslag assimilatieproducten
  • Gevormde glucose omgezet in andere koolhydraten, vetten en eiwitten

  • Eerste omzetting: glucose naar zetmeel: glucose is oplosbaar in water, dus heeft invloed op osmose.

  • 's Nachts zetmeel naar sacharose en via bastvaten transport

Slide 24 - Slide

Aan de slag 
- maak opgave 22, 24, 29, 30 
- maak de D-toets 

Slide 25 - Slide