Literaire begrippen V4h

Welkom terug!
1 / 27
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Welkom terug!

Slide 1 - Slide

Literaire begrippen V4h
Programma:
- 20 minuten lezen in tweede leesboek
- Korte film
- Quizvragen n.a.v. korte film
- Herhaling fictiebegrippen in kader van betoog

Slide 2 - Slide

timer
20:00

Slide 3 - Slide

Aan het eind van deze les ...
Lukt het je om:
- De setting te beschrijven van een verhaal.
- De perspectieven te benoemen.


Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Setting

De setting herken je aan de tijd en ruimte waarin een verhaal zich afspeelt.

Slide 6 - Slide

Setting: Ruimte
Ruimte Alles wat te maken heeft met plaatsen. Een land, stad, dorp, een huis, een kamer, een straat, een gebouw, een planeet. 

De ruimte kan bestaan, maar ook niet bestaan, herkenbaar zijn of niet  herkenbaar.

De ruimte kan een bepaalde sfeer oproepen.
Ook kan de ruimte het verhaal verduidelijken.

Slide 7 - Slide

Setting: Tijd
Chronologische vertelvolgorde De gebeurtenissen in een verhaal worden verteld in de volgorde waarin ze hebben plaatsgevonden.
Hierbij kunnen verwijzingen voorkomen naar dingen die eerder of later in het verhaal gebeuren. De vertelvolgorde wordt daarmee niet onderbroken.

Niet-chronologische vertelvolgorde De gebeurtenissen in een verhaal worden niet verteld in de volgorde waarin ze hebben plaatsgevonden.

Slide 8 - Slide

Setting: Tijd

Vertelde tijd De tijd die voorbijgaat in een verhaal. 

Verteltijd De tijd uitgedrukt in woorden of pagina’s, die gebruikt wordt om het verhaal te vertellen.

Tijdsprong De schrijver slaat periodes over.  

Slide 9 - Slide

Vertelperspectief

Het standpunt van waaruit een verhaal wordt verteld.

  • ik-vertelperspectief
  • personaal vertelperspectief / hij-/zij-vertelperspectief
  • auctoriaal vertelperspectief /alwetende verteller
  • wisselend perspectief


Slide 10 - Slide

Ik-vertelperspectief

De gebeurtenissen worden verteld door een personage in de ik-vorm.

Ik loop in de tuin en zie een mooie roos. Ik pluk hem.

Dit 'verhaal' is in de ik-vorm geschreven. Je kijkt door de ogen van de 'ik'. Je weten alleen wat de hoofdpersoon weet op dit moment in het verhaal.

Slide 11 - Slide

Personaal vertelperspectief

De gebeurtenissen worden in de hij- of zij-vorm verteld.

Ze loopt in de tuin en ziet een mooie roos. Ze plukt hem.

Je weet nog steeds alleen wat 'ze' weet, maar nu wordt er in de zij-vorm geschreven. 

Slide 12 - Slide

Auctoriaal vertelperspectief
De alwetende verteller, speelt zelf geen rol in het verhaal, maar hij weet alles van alle personages en gebeurtenissen. 

'Ze loopt in de tuin en ziet een mooie roos. Ze plukt hem. De nieuwe tuinman staat om de hoek naar haar te kijken, hij houdt zijn schep stevig vast.'

Als lezer weet je meer dan de hoofdpersoon. Je weet ook wat er met andere personages gebeurt en wat er op andere plekken gebeurt. 


Slide 13 - Slide

Wisselend vertelperspectief


Als een schrijver kiest voor het ik-perspectief of het hij- of zij-perspectief, dan kunnen verschillende personages elkaar afwisselen als hoofdpersoon en/of verteller.


Slide 14 - Slide

Aan de slag!
Log in bij LU - Geest les 2
Beantwoord nu een aantal vragen over de theorie, toegepast op Geest.

Slide 15 - Slide

Waar speelt deel 1 zich af?
Omschrijf deze ruimte zo uitgebreid mogelijk.

Slide 16 - Open question

Welke personen spelen een rol in deel 1, dat zich afspeelt in Amsterdam?

Slide 17 - Open question

Is de vertelvolgorde chronologisch of niet-chronologisch?

Slide 18 - Open question

Wat is de vertelde tijd en wat is de verteltijd?

Slide 19 - Open question

Is er sprake van tijdsprongen in het verhaal? Zo ja, geef een voorbeeld.

Slide 20 - Open question

Moraal

Een wijze les, een boodschap, een advies. 
De schrijver wil iets zeggen over wat goed of fout is en hoe mensen zouden moeten leven.  

Weet je nog wat de moraal was in Wonder? Geest? Het Gouden Ei?

Slide 21 - Slide

Gesloten einde

Alle openstaande vragen en 'mysteries' zijn beantwoord.
Acties van personages hebben een (goed of slecht) resultaat.




Slide 22 - Slide

Open einde
Bij een open einde blijven er vragen onbeantwoord.

Dat heeft 2 kanten: 
  • enerzijds: de lezer wordt aan het denken gezet en kan zijn   eigen einde 'kiezen'
  • anderzijds: de lezer baalt, hij wil weten hoe het afloopt.

Slide 23 - Slide

Emotieve argumenten

Je gebruikt beoordelingswoorden die aangeven wat een verhaal met je doet (emotie). 

(maakt me vrolijk - spannend - vol vaart - ontroerend - beklemmend)


Slide 24 - Slide

Realistische argumenten

Je gebruikt beoordelingswoorden die aangeven in hoeverre jij een verhaal realistisch vindt. 

(geloofwaardig - herkenbaar - bedacht - origineel) 


Slide 25 - Slide

Morele argumenten
Je gebruikt beoordelingswoorden die iets zeggen over de keuzes die de personages maken of over de boodschap die de schrijver wil uitdragen. 

(Goed voorbeeld - keur ik af - asociaal - rechtvaardig - betrokken)

Slide 26 - Slide

Vertelde tijd
Verteltijd
Chronologisch
Niet-chronologisch
Flashback
Flash forward
De tijd die in het verhaal verstrijkt.
Leestijd.
Op volgorde van tijd
"overmorgen-vandaag-morgen"
Terugblik
Vooruitblik

Slide 27 - Drag question