CVRM-preparaten: hoofdgroep en subgroep
CVRM-preparaten: hoofdgroep en subgroep
Deze les is opgebouwd als overzicht om studenten te helpen preparaten systematisch te ordenen: van hoofdgroep naar subgroep en vervolgens naar stofnaam en merknaam.
Lesdoel
Ik kan CVRM-preparaten indelen op hoofdgroep, subgroep, stofnaam en waar van toepassing merknaam.
This item has no instructions
Welke naam of groep uit CVRM-preparaten ken je al?
Gebruik de antwoorden om voorkennis zichtbaar te maken. Vraag eventueel door naar verschillen tussen hoofdgroep, subgroep, stofnaam en merknaam.
Hoe lees je deze indeling?
Bij elk preparaat werk je steeds in dezelfde volgorde:
hoofdgroep → subgroep → stofnaam → merknaam
Zo zie je sneller welke middelen bij elkaar horen en welke namen je apart moet herkennen.
Benadruk dat de les niet draait om werkingsmechanismen, maar om correcte ordening en herkenning van namen.
De twee grote hoofdgroepen
Diuretica
Bètasympathicolytica of bètablokkers
ACE-remmers
Angiotensine-II-antagonisten
Renineremmers
Calciumantagonisten
Overige
Cholesterolsyntheseremmers
Fibraten
PCSK9-remmers
Harsen
Cholesterolopnameremmer
Combinatiepreparaten
Bloeddrukverlagende middelen
Cholesterolverlagende middelen
Maak expliciet onderscheid tussen hoofdgroep en subgroep: in deze les zijn 'bloeddrukverlagende middelen' en 'cholesterolverlagende middelen' de overkoepelende hoofdgroepen.
Van groep naar preparaat
Voorbeeld van de opbouw:
Diuretica
→ lisdiuretica
→ furosemide
→ Lasix
Zo leer je niet losse namen, maar een vaste structuur.
This item has no instructions
Welke combinatie volgt de juiste volgorde van groep naar preparaat?
Diuretica → lisdiuretica → furosemide → Lasix
Lisdiuretica → diuretica → Lasix → furosemide
Diuretica → furosemide → lisdiuretica → Lasix
Lasix → furosemide → diuretica → lisdiuretica
Sluit direct aan op slides 2-4: hoofdgroep/subgroep/stofnaam/merknaam in vaste volgorde.
Ordenen van namen
In deze les werk je van hoofdgroep naar subgroep, daarna naar stofnaam en soms naar de merknaam. Zo leer je preparaten in een vaste structuur herkennen.
Alle drie de kernbegrippen zijn expliciet genoemd op slide 2.
Diuretica: drie subgroepen
Binnen diuretica worden in deze lijst drie subgroepen onderscheiden:
kaliumsparende diuretica
thiazidediuretica
lisdiuretica
Deze indeling helpt om de stofnamen logisch te clusteren.
This item has no instructions
Diuretica: stofnamen per subgroep
Kaliumsparende diuretica
chloorthalidon
chloorthiazide
hydrochloorthiazide
indapamide
amiloride
eplerenon
spironolacton
triamtereen
Thiazidediuretica
Noem dat hydrochlorothiazide later ook terugkomt in een combinatiepreparaat met captopril.
Diuretica: lisdiuretica
Binnen lisdiuretica staan:
bumetanide — Burinex
furosemide — Lasix
Hier zie je meteen het verschil tussen stofnaam en merknaam.
This item has no instructions
Diuretica: merknaam herkennen
Niet elke stofnaam heeft in deze lijst een merknaam erbij.
Wel genoemd zijn:
eplerenon — Inspra
bumetanide — Burinex
furosemide — Lasix
De overige diuretica leer je hier alleen op stofnaam.
This item has no instructions
Welke stofnaam hoort bij de subgroep lisdiuretica?
indapamide
eplerenon
furosemide
spironolacton
De afleiders komen uit andere diuretica-subgroepen: thiazidediuretica en kaliumsparende diuretica.
Diuretica clusteren
Binnen diuretica zijn drie subgroepen genoemd: kaliumsparende diuretica, thiazidediuretica en lisdiuretica. Bij de lisdiuretica hoort furosemide met als merknaam Lasix.
Combineert subgroepherkenning met koppeling stofnaam-merknaam.
Bètablokkers als subgroep
De hoofdgroep bloeddrukverlagende middelen bevat ook de subgroep:
bètasympathicolytica of bètablokkers
Binnen deze subgroep staat een lange lijst stofnamen. Juist daarom is groeperen belangrijker dan los memoriseren.
This item has no instructions
Bètablokkers: stofnamen (1)
bisoprolol — Emcor
celiprolol — Dilanorm
labetalol — Trandate
Merknamen in deze reeks
acebutolol
atenolol
betaxolol
bisoprolol
carvedilol
celiprolol
labetalol
Stofnamen
This item has no instructions
Bètablokkers: stofnamen (2)
Merknamen in deze reeks
Stofnamen
metoprolol — Selokeen
nebivolol — Nebilet
metoprolol
nebivolol
pindolol
propranolol
sotalol
Wijs op het terugkerende einde -olol als herkenningspatroon binnen veel bètablokkers, zonder het als absolute regel te presenteren.
Welke stofnaam uit de lijst is een bètablokker?
ramipril
nebivolol
valsartan
amlodipine
Nebivolol staat tussen de bètablokkers; de andere opties horen bij ACE-remmers, angiotensine-II-antagonisten en calciumantagonisten.
Bètablokkers herkennen
Binnen de subgroep bètablokkers zie je vaak stofnamen met het einde -olol. Een voorbeeld uit de lijst is metoprolol met als merknaam Selokeen.
Haakt aan op het herkenningspatroon dat in de docentnotitie is genoemd.
ACE-remmers
De subgroep ACE-remmers bevat meerdere stofnamen, vaak met een bijbehorende merknaam.
In deze lijst staat ook één combinatie met hydrochlorothiazide binnen de ACE-remmers.
This item has no instructions
ACE-remmers: stofnamen (1)
benazepril
captopril
captopril/hydrochloorthiazide
enalapril
fosinopril
Merknamen
Stofnamen
benazepril — Cibacen
enalapril — Renitec
Leg uit dat captopril/hydrochloorthiazide een combinatiepreparaat is, maar in deze aangeleverde lijst onder ACE-remmers staat en dus daar geleerd wordt.
ACE-remmers: stofnamen (2)
lisinopril
perindopril
quinapril
ramipril
zofenopril
lisinopril — Zestril
perindopril — Coversyl
quinapril — Acupril
ramipril — Tritace
zofenopril — Zofil
Merknamen
Stofnamen
Wijs op het terugkerende einde -pril als geheugensteun voor ACE-remmers.
Welke stofnaam is het combinatiepreparaat bij de ACE-remmers?
enalapril
benazepril
captopril/hydrochloorthiazide
ramipril
Controleert of studenten het bijzondere item binnen deze subgroep herkennen.
ACE-remmers onthouden
Bij ACE-remmers zie je vaak stofnamen met het einde -pril. Zo hoort perindopril bij deze subgroep en heeft het als merknaam Coversyl.
Laat studenten zowel patroon als merknaam ophalen.
Angiotensine-II-antagonisten
Deze subgroep hoort ook bij de bloeddrukverlagende middelen.
Stofnamen in deze lijst:
candesartan
eprosartan
irbesartan
losartan
olmesartan
telmisartan
valsartan
This item has no instructions
Angiotensine-II-antagonisten: merknamen
Merknaam
Atacand
Teveten
Aprovel
Cozaar
Olmetec
Micardis
Diovan
candesartan
eprosartan
irbesartan
losartan
olmesartan
telmisartan
valsartan
Stofnaam
Benadruk het patroon -sartan als herkenningspunt voor deze subgroep.
Renineremmers
Deze subgroep is in de lijst klein en daardoor overzichtelijk:
aliskiren — Rasilez
Juist een kleine subgroep is handig om foutloos te koppelen aan hoofdgroep, stofnaam en merknaam.
This item has no instructions
Welk achtervoegsel helpt je angiotensine-II-antagonisten herkennen?
-statine
-dipine
-sartan
-pril
Distractors zijn bewust gekozen uit andere subgroepen in de les.
Kleine subgroep, compleet koppelen
De subgroep renineremmers is in deze lijst klein. Het enige genoemde preparaat is aliskiren met als merknaam Rasilez.
Sluit aan op slide 17 waar juist de overzichtelijkheid van deze kleine subgroep is benadrukt.
Calciumantagonisten
Binnen calciumantagonisten staan veel verschillende stofnamen.
De lijst bevat zowel stofnamen mét merknaam als namen die je hier alleen op stofnaam leert.
This item has no instructions
Calciumantagonisten: stofnamen (1)
Merknamen
amlodipine — Norvasc
barnidipine — Cyress
diltiazem — Tildiem
felodipine — Plendil
isradipine — Lomir
lacidipine — Motens
amlodipine
barnidipine
diltiazem
felodipine
isradipine
lacidipine
Stofnamen
This item has no instructions
Calciumantagonisten: stofnamen (2)
Merknamen
lercanidipine — Lerdip
nicardipine — Cardene
nifedipine — Adalat
nimodipine — Nimotop
nitrendipine — Baypress
verapamil — Isoptin
lercanidipine
nicardipine
nifedipine
nimodipine
nitrendipine
verapamil
Stofnamen
Wijs op het vaak terugkerende einde -dipine binnen deze subgroep, met verapamil en diltiazem als uitzonderende namen in de lijst.
Overige bloeddrukverlagers
Niet alle bloeddrukverlagende middelen vallen in de grote subgroepen hierboven.
In overige staan:
clonidine — Catapresan
methyldopa
moxonidine
This item has no instructions
Welke stofnaam hoort bij de calciumantagonisten?
nifedipine
nebivolol
simvastatine
candesartan
Afleiders komen uit andere grote blokken: bètablokkers, cholesterolverlagers en sartanen.
Calciumantagonisten en overige
Bij calciumantagonisten zie je vaak het einde -dipine, maar verapamil is een uitzondering in de lijst. In de subgroep overige hoort clonidine bij de merknaam Catapresan.
Brengt het herkenningspatroon en de kleine restgroep samen in één check-in.
Cholesterolverlagende middelen
De tweede hoofdgroep in deze les is cholesterolverlagende middelen.
Daarbinnen worden zes subgroepen onderscheiden:
cholesterolsyntheseremmers
fibraten
PCSK9-remmers
harsen
cholesterolopnameremmer
combinatiepreparaten
This item has no instructions
Cholesterolsyntheseremmers
Merknamen
atorvastatine — Lipitor
fluvastatine — Lescol
pravastatine — Selektine
rosuvastatine — Crestor
simvastatine — Zocor
atorvastatine
fluvastatine
pravastatine
rosuvastatine
simvastatine
Stofnamen
Noem het patroon -statine als duidelijke geheugensteun voor deze subgroep.
Fibraten en PCSK9-remmers
bezafibraat — Bezalip
ciprofibraat — Modalim
gemfibrozil — Lopid
Fibraten
alirocumab — Praluent
evolocumab — Repatha
PCSK9-remmers
Hoewel evolocumab in de aangeleverde lijst net voor 'PCSK9-remmers' staat, hoort het inhoudelijk bij deze subgroep en wordt het hier samen gepresenteerd voor overzicht.
Overige cholesterolverlagers
Enkelvoudige middelen
ezetimib/simvastatine — Inegy
ezetimib/atorvastatine — Atozet
Combinatiepreparaten
harsen
colestyramine — Questran
cholesterolopnameremmer
ezetimib — Ezetrol
Maak hier duidelijk dat combinatiepreparaten twee stofnamen in één preparaat combineren.
Welke subgroep hoort bij cholesterolverlagende middelen?
Lisdiuretica
PCSK9-remmers
ACE-remmers
Calciumantagonisten
Toetst het onderscheid tussen de twee hoofdgroepen.
Cholesterolverlagers ordenen
Binnen cholesterolverlagende middelen horen atorvastatine en simvastatine bij de cholesterolsyntheseremmers. Ezetimib hoort als enkelvoudig middel bij de cholesterolopnameremmer, terwijl ezetimib/simvastatine een combinatiepreparaat is.
Verbindt drie subgroepen die op de laatste slides naast elkaar zijn uitgewerkt.
Welke koppeling uit deze les onthoud je het best?
Laat studenten één concrete koppeling of één herkenningspatroon noemen, bijvoorbeeld -pril, -sartan, -statine of een stofnaam-merknaamcombinatie. Geen vaste goede/foute antwoorden; gebruik dit als reflectie op wat is blijven hangen.
Wat hielp jou het meest bij het leren van de preparaten?
Verwachte antwoorden gaan over wat het leren ondersteunde: indelen in hoofdgroep/subgroep, achtervoegsels herkennen, stofnaam en merknaam koppelen, of herhaling in blokken.
Glossarium
hoofdgroep - grote overkoepelende indeling van preparaten
subgroep - kleinere indeling binnen een hoofdgroep
farmacotherapeutische groep - indeling van geneesmiddelen op basis van hun plaats binnen een therapiegroep
stofnaam - naam van de werkzame stof in een geneesmiddel
merknaam - handelsnaam waaronder een geneesmiddel verkocht wordt
combinatiepreparaat - geneesmiddel met meer dan één werkzame stof
CVRM - cardiovasculair risicomanagement
This item has no instructions
Glossarium
diuretica - subgroep van bloeddrukverlagende middelen in deze lijst
bètablokkers - andere naam voor bètasympathicolytica
ACE-remmers - subgroep bloeddrukverlagende middelen met vaak stofnamen op -pril
angiotensine-II-antagonisten - subgroep bloeddrukverlagende middelen met vaak stofnamen op -sartan
renineremmers - subgroep bloeddrukverlagende middelen; in deze lijst aliskiren
calciumantagonisten - subgroep bloeddrukverlagende middelen met veel verschillende stofnamen
cholesterolsyntheseremmers - subgroep cholesterolverlagende middelen met statinen
This item has no instructions