blok 3 CVRM-preparaten: hoofdgroep en subgroep

CVRM-preparaten: hoofdgroep en subgroep

1 / 45
next
Slide 1: Slide
New lesson editorZorg en WelzijnMBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 45 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

CVRM-preparaten: hoofdgroep en subgroep

Deze les is opgebouwd als overzicht om studenten te helpen preparaten systematisch te ordenen: van hoofdgroep naar subgroep en vervolgens naar stofnaam en merknaam.

Lesdoel

Ik kan CVRM-preparaten indelen op hoofdgroep, subgroep, stofnaam en waar van toepassing merknaam.

This item has no instructions

Welke naam of groep uit CVRM-preparaten ken je al?

Gebruik de antwoorden om voorkennis zichtbaar te maken. Vraag eventueel door naar verschillen tussen hoofdgroep, subgroep, stofnaam en merknaam.

Hoe lees je deze indeling?

Bij elk preparaat werk je steeds in dezelfde volgorde:


hoofdgroep → subgroep → stofnaam → merknaam


Zo zie je sneller welke middelen bij elkaar horen en welke namen je apart moet herkennen.

Benadruk dat de les niet draait om werkingsmechanismen, maar om correcte ordening en herkenning van namen.

De twee grote hoofdgroepen

Diuretica

Bètasympathicolytica of bètablokkers

ACE-remmers

Angiotensine-II-antagonisten

Renineremmers

Calciumantagonisten

Overige

Cholesterolsyntheseremmers

Fibraten

PCSK9-remmers

Harsen

Cholesterolopnameremmer

Combinatiepreparaten

Bloeddrukverlagende middelen

Cholesterolverlagende middelen

Maak expliciet onderscheid tussen hoofdgroep en subgroep: in deze les zijn 'bloeddrukverlagende middelen' en 'cholesterolverlagende middelen' de overkoepelende hoofdgroepen.

Van groep naar preparaat

Voorbeeld van de opbouw:


Diuretica

→ lisdiuretica

→ furosemide

→ Lasix


Zo leer je niet losse namen, maar een vaste structuur.

This item has no instructions

Welke combinatie volgt de juiste volgorde van groep naar preparaat?

A

Diuretica → lisdiuretica → furosemide → Lasix

B

Lisdiuretica → diuretica → Lasix → furosemide

C

Diuretica → furosemide → lisdiuretica → Lasix

D

Lasix → furosemide → diuretica → lisdiuretica

Sluit direct aan op slides 2-4: hoofdgroep/subgroep/stofnaam/merknaam in vaste volgorde.

Ordenen van namen

In deze les werk je van hoofdgroep naar subgroep, daarna naar stofnaam en soms naar de merknaam. Zo leer je preparaten in een vaste structuur herkennen.

hoofdgroep
subgroep
stofnaam
farmacotherapeutische groep
werkzame stof
combinatiepreparaat

Alle drie de kernbegrippen zijn expliciet genoemd op slide 2.

Diuretica: drie subgroepen

Binnen diuretica worden in deze lijst drie subgroepen onderscheiden:


  • kaliumsparende diuretica

  • thiazidediuretica

  • lisdiuretica


Deze indeling helpt om de stofnamen logisch te clusteren.

This item has no instructions

Diuretica: stofnamen per subgroep

Kaliumsparende diuretica

chloorthalidon

chloorthiazide

hydrochloorthiazide

indapamide

amiloride

eplerenon

spironolacton

triamtereen

Thiazidediuretica

Noem dat hydrochlorothiazide later ook terugkomt in een combinatiepreparaat met captopril.

Diuretica: lisdiuretica

Binnen lisdiuretica staan:


  • bumetanide — Burinex

  • furosemide — Lasix


Hier zie je meteen het verschil tussen stofnaam en merknaam.

This item has no instructions

Diuretica: merknaam herkennen

Niet elke stofnaam heeft in deze lijst een merknaam erbij.


Wel genoemd zijn:

  • eplerenon — Inspra

  • bumetanide — Burinex

  • furosemide — Lasix


De overige diuretica leer je hier alleen op stofnaam.

This item has no instructions

Welke stofnaam hoort bij de subgroep lisdiuretica?

A

indapamide

B

eplerenon

C

furosemide

D

spironolacton

De afleiders komen uit andere diuretica-subgroepen: thiazidediuretica en kaliumsparende diuretica.

Diuretica clusteren

Binnen diuretica zijn drie subgroepen genoemd: kaliumsparende diuretica, thiazidediuretica en lisdiuretica. Bij de lisdiuretica hoort furosemide met als merknaam Lasix.

kaliumsparende diuretica
lisdiuretica
Lasix
ACE-remmers
Inspra
bètablokkers

Combineert subgroepherkenning met koppeling stofnaam-merknaam.

Bètablokkers als subgroep

De hoofdgroep bloeddrukverlagende middelen bevat ook de subgroep:


bètasympathicolytica of bètablokkers


Binnen deze subgroep staat een lange lijst stofnamen. Juist daarom is groeperen belangrijker dan los memoriseren.

This item has no instructions

Bètablokkers: stofnamen (1)

bisoprolol — Emcor

celiprolol — Dilanorm

labetalol — Trandate

Merknamen in deze reeks

acebutolol

atenolol

betaxolol

bisoprolol

carvedilol

celiprolol

labetalol

Stofnamen

This item has no instructions

Bètablokkers: stofnamen (2)

Merknamen in deze reeks

Stofnamen

metoprolol — Selokeen

nebivolol — Nebilet

metoprolol

nebivolol

pindolol

propranolol

sotalol

Wijs op het terugkerende einde -olol als herkenningspatroon binnen veel bètablokkers, zonder het als absolute regel te presenteren.

Welke stofnaam uit de lijst is een bètablokker?

A

ramipril

B

nebivolol

C

valsartan

D

amlodipine

Nebivolol staat tussen de bètablokkers; de andere opties horen bij ACE-remmers, angiotensine-II-antagonisten en calciumantagonisten.

Bètablokkers herkennen

Binnen de subgroep bètablokkers zie je vaak stofnamen met het einde -olol. Een voorbeeld uit de lijst is metoprolol met als merknaam Selokeen.

bètablokkers
-olol
Selokeen
-pril
Coversyl
diuretica

Haakt aan op het herkenningspatroon dat in de docentnotitie is genoemd.

ACE-remmers

De subgroep ACE-remmers bevat meerdere stofnamen, vaak met een bijbehorende merknaam.


In deze lijst staat ook één combinatie met hydrochlorothiazide binnen de ACE-remmers.

This item has no instructions

ACE-remmers: stofnamen (1)

benazepril

captopril

captopril/hydrochloorthiazide

enalapril

fosinopril

Merknamen

Stofnamen

benazepril — Cibacen

enalapril — Renitec

Leg uit dat captopril/hydrochloorthiazide een combinatiepreparaat is, maar in deze aangeleverde lijst onder ACE-remmers staat en dus daar geleerd wordt.

ACE-remmers: stofnamen (2)

lisinopril

perindopril

quinapril

ramipril

zofenopril

lisinopril — Zestril

perindopril — Coversyl

quinapril — Acupril

ramipril — Tritace

zofenopril — Zofil

Merknamen

Stofnamen

Wijs op het terugkerende einde -pril als geheugensteun voor ACE-remmers.

Welke stofnaam is het combinatiepreparaat bij de ACE-remmers?

A

enalapril

B

benazepril

C

captopril/hydrochloorthiazide

D

ramipril

Controleert of studenten het bijzondere item binnen deze subgroep herkennen.

ACE-remmers onthouden

Bij ACE-remmers zie je vaak stofnamen met het einde -pril. Zo hoort perindopril bij deze subgroep en heeft het als merknaam Coversyl.

ACE-remmers
-pril
Coversyl
-sartan
Atacand
bètablokkers

Laat studenten zowel patroon als merknaam ophalen.

Angiotensine-II-antagonisten

Deze subgroep hoort ook bij de bloeddrukverlagende middelen.


Stofnamen in deze lijst:

  • candesartan

  • eprosartan

  • irbesartan

  • losartan

  • olmesartan

  • telmisartan

  • valsartan

This item has no instructions

Angiotensine-II-antagonisten: merknamen

Merknaam

Atacand

Teveten

Aprovel

Cozaar

Olmetec

Micardis

Diovan

candesartan

eprosartan

irbesartan

losartan

olmesartan

telmisartan

valsartan

Stofnaam

Benadruk het patroon -sartan als herkenningspunt voor deze subgroep.

Renineremmers

Deze subgroep is in de lijst klein en daardoor overzichtelijk:


  • aliskiren — Rasilez


Juist een kleine subgroep is handig om foutloos te koppelen aan hoofdgroep, stofnaam en merknaam.

This item has no instructions

Welk achtervoegsel helpt je angiotensine-II-antagonisten herkennen?

A

-statine

B

-dipine

C

-sartan

D

-pril

Distractors zijn bewust gekozen uit andere subgroepen in de les.

Kleine subgroep, compleet koppelen

De subgroep renineremmers is in deze lijst klein. Het enige genoemde preparaat is aliskiren met als merknaam Rasilez.

renineremmers
aliskiren
Rasilez
valsartan
Diovan
calciumantagonisten

Sluit aan op slide 17 waar juist de overzichtelijkheid van deze kleine subgroep is benadrukt.

Calciumantagonisten

Binnen calciumantagonisten staan veel verschillende stofnamen.


De lijst bevat zowel stofnamen mét merknaam als namen die je hier alleen op stofnaam leert.

This item has no instructions

Calciumantagonisten: stofnamen (1)

Merknamen

amlodipine — Norvasc

barnidipine — Cyress

diltiazem — Tildiem

felodipine — Plendil

isradipine — Lomir

lacidipine — Motens

amlodipine

barnidipine

diltiazem

felodipine

isradipine

lacidipine

Stofnamen

This item has no instructions

Calciumantagonisten: stofnamen (2)

Merknamen

lercanidipine — Lerdip

nicardipine — Cardene

nifedipine — Adalat

nimodipine — Nimotop

nitrendipine — Baypress

verapamil — Isoptin

lercanidipine

nicardipine

nifedipine

nimodipine

nitrendipine

verapamil

Stofnamen

Wijs op het vaak terugkerende einde -dipine binnen deze subgroep, met verapamil en diltiazem als uitzonderende namen in de lijst.

Overige bloeddrukverlagers

Niet alle bloeddrukverlagende middelen vallen in de grote subgroepen hierboven.


In overige staan:

  • clonidine — Catapresan

  • methyldopa

  • moxonidine

This item has no instructions

Welke stofnaam hoort bij de calciumantagonisten?

A

nifedipine

B

nebivolol

C

simvastatine

D

candesartan

Afleiders komen uit andere grote blokken: bètablokkers, cholesterolverlagers en sartanen.

Calciumantagonisten en overige

Bij calciumantagonisten zie je vaak het einde -dipine, maar verapamil is een uitzondering in de lijst. In de subgroep overige hoort clonidine bij de merknaam Catapresan.

-dipine
verapamil
Catapresan
-sartan
Nebilet
furosemide

Brengt het herkenningspatroon en de kleine restgroep samen in één check-in.

Cholesterolverlagende middelen

De tweede hoofdgroep in deze les is cholesterolverlagende middelen.


Daarbinnen worden zes subgroepen onderscheiden:

  • cholesterolsyntheseremmers

  • fibraten

  • PCSK9-remmers

  • harsen

  • cholesterolopnameremmer

  • combinatiepreparaten

This item has no instructions

Cholesterolsyntheseremmers

Merknamen

atorvastatine — Lipitor

fluvastatine — Lescol

pravastatine — Selektine

rosuvastatine — Crestor

simvastatine — Zocor

atorvastatine

fluvastatine

pravastatine

rosuvastatine

simvastatine

Stofnamen

Noem het patroon -statine als duidelijke geheugensteun voor deze subgroep.

Fibraten en PCSK9-remmers

bezafibraat — Bezalip

ciprofibraat — Modalim

gemfibrozil — Lopid

Fibraten

alirocumab — Praluent

evolocumab — Repatha

PCSK9-remmers

Hoewel evolocumab in de aangeleverde lijst net voor 'PCSK9-remmers' staat, hoort het inhoudelijk bij deze subgroep en wordt het hier samen gepresenteerd voor overzicht.

Overige cholesterolverlagers

Enkelvoudige middelen

ezetimib/simvastatine — Inegy

ezetimib/atorvastatine — Atozet

Combinatiepreparaten

harsen

colestyramine — Questran


cholesterolopnameremmer

ezetimib — Ezetrol

Maak hier duidelijk dat combinatiepreparaten twee stofnamen in één preparaat combineren.

Welke subgroep hoort bij cholesterolverlagende middelen?

A

Lisdiuretica

B

PCSK9-remmers

C

ACE-remmers

D

Calciumantagonisten

Toetst het onderscheid tussen de twee hoofdgroepen.

Cholesterolverlagers ordenen

Binnen cholesterolverlagende middelen horen atorvastatine en simvastatine bij de cholesterolsyntheseremmers. Ezetimib hoort als enkelvoudig middel bij de cholesterolopnameremmer, terwijl ezetimib/simvastatine een combinatiepreparaat is.

cholesterolsyntheseremmers
cholesterolopnameremmer
combinatiepreparaat
fibraten
bètablokkers
renineremmers

Verbindt drie subgroepen die op de laatste slides naast elkaar zijn uitgewerkt.

Welke koppeling uit deze les onthoud je het best?

Laat studenten één concrete koppeling of één herkenningspatroon noemen, bijvoorbeeld -pril, -sartan, -statine of een stofnaam-merknaamcombinatie. Geen vaste goede/foute antwoorden; gebruik dit als reflectie op wat is blijven hangen.

Wat hielp jou het meest bij het leren van de preparaten?

Verwachte antwoorden gaan over wat het leren ondersteunde: indelen in hoofdgroep/subgroep, achtervoegsels herkennen, stofnaam en merknaam koppelen, of herhaling in blokken.

Glossarium

hoofdgroep - grote overkoepelende indeling van preparaten

subgroep - kleinere indeling binnen een hoofdgroep

farmacotherapeutische groep - indeling van geneesmiddelen op basis van hun plaats binnen een therapiegroep

stofnaam - naam van de werkzame stof in een geneesmiddel

merknaam - handelsnaam waaronder een geneesmiddel verkocht wordt

combinatiepreparaat - geneesmiddel met meer dan één werkzame stof

CVRM - cardiovasculair risicomanagement

This item has no instructions

Glossarium

diuretica - subgroep van bloeddrukverlagende middelen in deze lijst

bètablokkers - andere naam voor bètasympathicolytica

ACE-remmers - subgroep bloeddrukverlagende middelen met vaak stofnamen op -pril

angiotensine-II-antagonisten - subgroep bloeddrukverlagende middelen met vaak stofnamen op -sartan

renineremmers - subgroep bloeddrukverlagende middelen; in deze lijst aliskiren

calciumantagonisten - subgroep bloeddrukverlagende middelen met veel verschillende stofnamen

cholesterolsyntheseremmers - subgroep cholesterolverlagende middelen met statinen

This item has no instructions