§3.6 de hersenen

§3.6 hersenen
Klas 1 havo vwo
1 / 26
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

§3.6 hersenen
Klas 1 havo vwo

Slide 1 - Slide

Wat is de juiste route van prikkel
naar de hersenen?
A
prikkel -> impuls -> zenuw -> hersenen
B
prikkel -> zintuig -> impuls -> zenuw -> hersenen
C
prikkel -> zenuw -> impuls -> hersenen
D
prikkel -> zintuig -> zenuw -> impuls -> hersenen

Slide 2 - Quiz

1. Je hersenen verwerken de informatie die je zintuigen via
een impuls sturen.
2. Sommige lichaamsdelen hebben meer zintuigcellen dan
andere.
A
Beide waar
B
Beide niet waar
C
1: waar 2: niet waar
D
1: niet waar 2: waar

Slide 3 - Quiz

Een regenworm heeft zeer eenvoudige hersenen. Hoe heet dit en hoeveel heeft die ervan?
A
Eén centrale zenuwknoop
B
Eén kleine zenuwloper
C
Twee centrale zenuwknopen
D
Twee centrale zenuwlopers

Slide 4 - Quiz

Wat voor skelet heeft een worm?
A
Uitwendig skelet
B
Inwendig skelet
C
Geen skelet

Slide 5 - Quiz

Het zenuwstelsel
3.1 en 3.2 en 3.3
Even herhalen

Slide 6 - Slide

Waarnemen en reageren
  • Een waarneming kan leiden tot een reactie

  • In de hersenen ontstaan impulsen tussen hersencellen

  • Bepaalde hersencellen sturen dan bv een spier of een klier aan


Slide 7 - Slide

Waar vindt de bewustwording plaats van de prikkel/impuls?
A
In de zintuigen
B
In de hersenen
C
in de spier
D
in de klier

Slide 8 - Quiz

De hersenen
Grote hersenen: 
- hersencentra
- geheugen
Kleine hersenen
Hersenstam

Slide 9 - Slide

Hersenen
hersencentra

Slide 10 - Slide

Wat doen kleine hersenen?
A
Regelen functies als hartslag en ademhaling
B
Coördinatie van bewegingen

Slide 11 - Quiz

Masha staat met haar fiets te wachten voor een rood stoplicht.

Masha ziet dat het stoplicht groen wordt. DIT IS EEN.......?.
A
Prikkel
B
Impuls
C
Signaal
D
Zintuig

Slide 12 - Quiz


Bij het groen worden van het stoplicht gaat er een signaal via de zenuwen naar de hersenen.
DIT SIGNAAL IS EEN....?
A
Prikkel
B
Impuls
C
Reactie
D
Zintuig

Slide 13 - Quiz

Slide 14 - Video

Leerdoelen
Je leert uit welke delen je hersenen bestaan, hoe ze werken en hoe je leert.
  • Je kunt de onderdelen; grote hersenen, kleine hersenen en hersenstam aanwijzen in een afbeelding. 
  • Je kunt vertellen wat de belangrijkste functie is van de bovengenoemde onderdelen van je hersenen.
  • Je weet dat er voor alle zintuigen een speciaal hersencentrum is op de hersenschors.
  • Je weet dat hersenen bestaan uit heel veel zenuwcellen die met elkaar verbonden zijn. 
  • Je kunt het verschil uitleggen tussen langetermijngeheugen en kortetermijngeheugen.
  • Je kunt uitleggen waarom herhalen van leerstof ervoor zorgt dat je dit uiteindelijk beter kunt onthouden.
  • Je weet wat er bedoeld wordt met een geheugenspoor.

Slide 15 - Slide

Hebben alle dieren hersenen?
Gewervelde dieren: hebben hersenen, die ongeveer hetzelfde gebouwd zijn als die van mensen.

Veel ongewervelde dieren hebben geen hersenen zoals: sponzen, kwallen of zeesterren

Slide 16 - Slide

Waaruit bestaat uit centraal zenuwstelsel?
A
Hersenen, ruggenmerg
B
Hersenen, zenuwen
C
Hersenen, ruggenmerg, zenuwen
D
Hersenen, ruggenmerg, zenuwen, ruggengraat

Slide 17 - Quiz

Een regenworm heeft zeer eenvoudige hersenen. Hoe heet dit en hoeveel heeft die ervan?
A
Eén centrale zenuwknoop
B
Eén kleine zenuwloper
C
Twee centrale zenuwknopen
D
Twee centrale zenuwlopers

Slide 18 - Quiz

Hersenen van ongewervelden
Ongewervelden hebben geen hersenen
Sommige ongewervelden hebben eenvoudige hersenen
De regenworm heeft twee centrale zenuwknopen, waardoor de voortbeweging wordt geregeld
Twee belangrijke prikkels voor de worm zijn lichtprikkels en trillingen.
Een worm heeft zenuwknopen

Slide 19 - Slide

hoe werkt je geheugen?


korte termijin geheugen:
maximaal een half uur
lange termijngeheugen:
herhalen-->van schors naar hersenen--> HERSENSPOOR

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Welk deel van de hersenen zorgt voor het coördineren van bewegingen?
A
Kleine hersenen
B
Grote hersenen
C
hersenstam
D
hypofyse

Slide 22 - Quiz

Wat is GEEN onderdeel van de hersenen?
A
Grote hersenen
B
Kleine hersenen
C
Hersenstam
D
Harde hersenen

Slide 23 - Quiz

Wat gebeurt er bij het leren van woordjes?
A
Door herhalen gaan ze van korte naar lange termijn geheugen
B
Ze worden steeds opgeslagen in het korte termijn geheugen
C
Ze worden meteen opgeslagen in het lange termijn geheugen

Slide 24 - Quiz

Hoe heet onderdeel 1?
A
Grote hersenen
B
Kleine hersenen
C
Hersenstam

Slide 25 - Quiz

Huiswerk
Bestuderen uit nectar §3.6 en maken opdrachten 1 t/m 14 probeer ze in de les af te krijgen.

Slide 26 - Slide