M&G Week 8. (Les 1) Herhaling Mens en Gezondheid en Activiteit

1 / 60
next
Slide 1: Slide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 140 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Startklaar
  • Welkom Klas! 
  • Ga allemaal op je plek zitten. 
timer
3:00

Slide 2 - Slide

1. Startklaar
Bij de start van iedere les verwelkomt de docent de leerlingen bij de ingang van de deur, noemt leerlingen bij naam, maakt oogcontact en besteedt aandacht aan hun welbevinden. De docent geeft het goede voorbeeld en spreekt hoge verwachtingen uit voor het verloop van de les door succescriteria op gewenst gedrag, schooltaal en effectief leren te benoemen. De leerlingen zijn startklaar: ingelogd in LessonUp, telefoons opgeborgen in het Zakkie, en JdW-map op tafel.
      Leerdoelen
Aan het einde van de les kan je: 
  • Belangrijke begrippen uit de module M&G en M&A benoemen en uitleggen (R)
  • Opdrachten maken met de theorie die we eerder hebben geoefend. (T1)
  • Kennis gebruiken om nieuwe vragen of casussen op te lossen. (T2)
  • Reflecteren op mijn eigen bijdragen (I) 

Slide 3 - Slide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.   
Herhaling Mens en Gezondheid en Activiteit 

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

JdW-kijkwijzer
Lesopbouw:

  1. Vooraf:
    Startklaar, Voorkennis activeren, Formatief Handelen

  2. Instructie:
    Leerdoelgericht werken, Inclusieve didactiek, Concrete en herkenbare voorbeelden, Formatief Handelen

  3. Toepassing:
    Actieve verwerking, Formatief handelen 

  4. Evaluatie:
    Afsluiting

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

H1.3 Gezonde leefstijl
Beïnvloedt onze gezondheid.
Omvat keuzes in: voeding, beweging, ontspanning, slaap, verslaving en sociale contacten.
Belangrijk:
  • Voldoende bewegen
  • Gevarieerd eten
  • Ontspanning
  • Niet roken/ geen alcohol gebruiken
Uitdaging: ongezonde voedselomgeving vol verleidingen

Beroepen:
  • Diëtist
  • Leefstijlcoach

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Voedingsmiddelen = Alles wat je eet en drinkt
Voorbeelden: brood, groente, fruit, vlees, zuivel, frisdrank

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Voedingsstoffen 
Voedingsstoffen zijn de bouwstenen uit ons eten en drinken. Het lichaam gebruikt ze om energie te krijgen, te groeien, te herstellen en gezond te blijven.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Welke vitamine zit veel in de afgebeelde voedingsmiddelen?


A
Vitamine A.
B
Vitamine E.
C
Vitamine C.
D
Vitamine K.

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions


Koolhydraten zitten vooral in voedingsmiddelen zoals:


A
Tuinbonen
B
Volkorenpasta
C
Olijven
D
Smeerkaas

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Macrovoedingsstoffen
(grote hoeveelheden nodig, leveren energie of bouwstoffen)
  • Koolhydraten → energie
Zit in: brood, rijst, pasta, aardappelen, fruit, suiker

  • Vetten → energie + bouwstof
Zit in: olie, boter, noten, vis, vlees, snacks

  • Eiwitten → bouwstoffen (spieren, herstel)
Zit in: vlees, vis, eieren, zuivel, peulvruchten, vleesvervangers

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Microvoedingsstoffen
(kleine hoeveelheden nodig, regelen processen in het lichaam)
  • Vitaminen
Zit in: groente, fruit, volkoren producten, melk, vis

  • Mineralen:
Calcium → melk, kaas, yoghurt
IJzer → vlees, groene groenten, volkoren brood
Natrium → zout, brood, bewerkte producten

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Met ....... wordt bedoeld de keuzes die je maakt op het gebied van je lichaam en geestelijke gezondheid.
A
bewegingspatroon
B
leefstijl
C
voedingspatroon
D
houding

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

 Functies van voedingsstoffen
Opbouw van het lichaam
  • Reguleren van lichaamsprocessen
  • Energie leveren

Energie nodig voor:
  • Beweging
  • Lichaamsfuncties (hartslag, ademhaling)
  • Handhaven lichaamstemperatuur (37°C)
  • Energiebalans: Evenwicht energie-inname ↔ energieverbruik = gezond gewicht

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

2.7 Water en vezels
Vezels: vol gevoel, stoelgang, gewichtsbeheersing (brood, groente, granen)

Water: vochtbalans, afvalstoffen afvoeren, temperatuurregulatie

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Wat is een functie van vezels?


A
Ze verhogen de goede cholesterol.
B
Ze zijn de bouwstoffen van het lichaam.
C
Ze zorgen voor een goede stoelgang.
D
Ze zorgen voor het transporteren van voedingsstoffen.

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

In welke producten tref je vooral onverzadigde vetten aan?
A
Olijfolie en vis Olijfolie en vis.
B
Vette vis en kaas.
C
Vloeibaar frituurvet en roomboter.
D
Noten en varkensvlees.

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Hoeveel vocht heeft iemand per dag nodig?



Hoeveel vocht heeft iemand per dag nodig?





A
Ongeveer 1 liter vocht.
B
Ongeveer 1.5 liter vocht.
C
Ongeveer 0.5 liter vocht.
D
Ongeveer 2 liter vocht.

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Welke belangrijke functie heeft calcium in ons lichaam?
A
Botopbouw Botopbouw
B
Produceren van energie.
C
Regelen vochtbalans.
D
Werking van de schildklier.

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Wat is de functie van conserveringsmiddelen?




A
Ervoor zorgen dat het voedingsmiddel meer smaak krijgt.
B
Ervoor zorgen dat het voedingsmiddel gezonder is.
C
Ervoor zorgen dat het voedingsmiddel langer houdbaar is.
D
Ervoor zorgen dat het voedingsmiddel er beter uitziet.

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Wat is de belangrijkste functie van eiwitten?
A
Brandstof Brandstof.
B
Verzadiging
C
Voedingsstoffen transporteren.
D
Bouwstof

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Rens heeft een BMI van 20. Wat geeft dit aan?

A
Hij heeft een gezond gewicht.
B
Hij heeft ondergewicht.
C
Hij heeft ernstig overgewicht.
D
Hij heeft overgewicht.

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Welke snijtechniek is hier toegepast?

A
Brunoise.
B
Hakken.
C
Chinoise.
D
Julienne.

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Hoe heet het snel klein snijden van producten zoals peterselie of noten?

A
Raspen
B
Hakken
C
Snipperen
D
Schaven

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Welke bereidingstechniek wordt hier omschreven?
‘Je smelt in een open pan boter en laat de boter lichtbruin worden. Je schroeit het vlees aan beide kanten dicht. Daarna
zet je de temperatuur laag en keer je het vlees regelmatig om
A
Gratineren
B
Roerbakken.
C
Bakken
D
Stomen

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

Wat is garneren?


A
Het op smaak brengen van gerechten.
B
Het mooi opmaken/afwerken van gerechten.
C
Onder de grill een bruin korstje laten aanbrengen
D
Een kooktechniek.

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

Welke uitspraak over convenience food is juist?


A
Dit zijn duurzame gerechten.
B
Dit zijn gerechten met veel suiker.
C
Dit zijn kant- en klaar gerechten.
D
Hierdoor wordt afval verminderd.

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Waar speelt vitamine D een rol bij?



A
Bloedstolling
B
Botontwikkeling
C
Hersenontwikkeling
D
Nierfunctie

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

Welke voedingsstof is voor sporters belangrijk bij de opbouw en het herstel van weefsels?

A
Eiwitten
B
Koolhydraten
C
Vetten
D
Vitamines

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een voorbeeld van een welvaartsziekte?



.
A
Hart- en vaatziekte.
B
HIV.
C
Dementie.
D
Reuma

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Welke van onderstaande producten staat niet in de Schijf van vijf?




A
Groente à la crème
B
Diepvriesgroente
C
Verse groente
D
Voorgesneden groente

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Welke producten horen in het roze vak van de Schijf van Vijf?




A
Eieren en zilvervliesrijst
B
Kaas en zilvervliesrijst
C
Yoghurt en eieren
D
Yoghurt en roomboter

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Schijf van Vijf

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

Van welk begrip is dit de omschrijving: ‘Kunstmatige hulpmiddelen die
het product bijvoorbeeld langer houdbaar maken.’?


.
A
Additieven
B
Allergenen
C
Voedingsclaims
D
Voedingswaarden

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Wat geeft 'THT' aan op voorverpakte voedingsmiddelen?




A
Dat het product nog veilig te gebruiken is tot de datum op de verpakking.
B
Dat een geopend verpakking nog lang houdbaar is.
C
Dat het voorverpakte product snel bederft.
D
Dat de kwaliteit van het product is gegarandeerd tot de datum op de verpakking.

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

3.3 Gezonde voeding
Gezonde voeding is belangrijk voor zowel lichamelijke als geestelijke gezondheid. Het omvat het maken van bewuste keuzes zoals:

• Gevarieerd en vers eten;
• Niet te veel eten;
• Het beperken van suiker en zout;
• Het kiezen van voedingsmiddelen met hoge voedingswaarde.

Gezond eten vermindert het risico op ziektes, zorgt voor energie en voedingsstoffen en helpt bij het behouden van een gezond gewicht.

Slide 37 - Slide

This item has no instructions

Gezondheid kan beïnvloed worden door omgevingsfactoren. Wat is een
voorbeeld van een omgevingsfactor?



A
Sociale steun of sociale druk.
B
Je aanleg om spontaan te zijn naar anderen.
C
Emoties en aanlegfactoren.
D
De invloed van je eigen emoties.

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke soort gezondheid hoort de volgende zin: ‘Bibi ervaart veel
stress op haar werk.’




A
Sociale gezondheid.
B
Mentale gezondheid.
C
Lichamelijke gezondheid.
D
Fysieke gezondheid.

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions

Wat zijn preventieve maatregelen?




A
Maatregelen die voor specifieke doelgroepen gelden.
B
Maatregelen die je neemt als iemand ziek is.
C
Maatregelen die je neemt nadat iemand ziek is geweest.
D
Maatregelen die je neemt om gezondheidsschade te voorkomen.

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions

3.6 Etiketten
De volgende onderdelen zijn volgens de Warenwet verplicht om op een etiket te zetten:
• Naam
• Ingrediënten en additieven.
• Allergenen
• Voedingswaarde
• Netto hoeveelheid
• Houdbaarheidsdatum
• THT-datum: ten minste houdbaar tot
• TGT-datum: te gebruiken tot
• Naam en adres fabrikant/ producent
• Land van oorsprong

Slide 41 - Slide

This item has no instructions

4.4 Vegetariërs en veganisten
Vegetariërs eten geen vlees, vis of gevogelte, maar wel dierlijke producten zoals eieren en zuivel.

Veganisten eten helemaal geen dierlijke producten, inclusief honing en producten met dierlijke ingrediënten. Omdat vitamine B12 alleen in dierlijke producten zit, moeten veganisten supplementen nemen.

Flexitariërs eten soms vlees of vis, maar minimaal één dag per week niet.



Slide 42 - Slide

This item has no instructions

Een veganist is iemand die:


A
Niets eet waarin iets van dode dieren in zit.
B
Helemaal geen dierlijke producten eet.
C
Geen vlees, vis en gevogelte eet.
D
Af en toe vlees, vis en gevogelte eet.

Slide 43 - Quiz

This item has no instructions

Welk gerecht is het meest geschikt voor een veganist?

A
Peer met geitenkaas en honing.
B
Salade van wortel, komkommer en kokos.
C
Stokbroodje met belegen kaas.
D
Courgettesoep met room.

Slide 44 - Quiz

This item has no instructions

Hoe komen veganisten aan het benodigde eiwit?

A
Door zoete tussendoortjes te eten.
B
Door fruit te eten.
C
Door noten, zaden en peulvruchten te eten.
D
Door brood te eten.

Slide 45 - Quiz

This item has no instructions

4.6 Geloof en voeding
Verschillende religies hebben eigen voedingsregels.

• Moslims eten geen varkensvlees, vermijden alcohol en eten halal geslacht vlees.
• Joden eten koosjer voedsel, waarbij bepaalde dieren zijn toegestaan en vlees strikt gescheiden wordt van zuivel.
• Hindoes beschouwen de koe als heilig en eten vaak vegetarisch.
• Boeddhisten zijn meestal vegetarisch en vermijden voedsel dat lustgevoelens opwekt.
• Christenen mogen alles eten. Katholieken hebben een vastenperiode tussen carnaval en Pasen.

Slide 46 - Slide

This item has no instructions

Wat eten moslims niet?

A
Zuivel
B
Varkensvlees
C
Vis
D
Suiker

Slide 47 - Quiz

This item has no instructions


Wat houdt koosjer eten in?



A
Dieren zijn op een diervriendelijke manier geslacht.
B
Dieren zijn op rituele wijze geslacht.
C
Eten in overeenstemming met de tien geboden.
D
Je eet volgens de Joodse spijswetten (de kashrut).

Slide 48 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekent duurzaamheid?


A
Maatregelen die voor lange tijd gelden.
B
Het milieu zo min mogelijk belasten.
C
Materiaal dat niet snel kapot gaat.
D
Langere bewaartijd voor voeding.

Slide 49 - Quiz

This item has no instructions

Wat betekent de voedselvoetafdruk?



A
De hoeveelheid schade die we toebrengen aan de aarde om ons van voedsel te voorzien.
B
De hoeveelheid energie en transportmiddelen die nodig is om voedsel op de juiste plek te krijgen.
C
De hoeveelheid groente en vlees die je eet gedurende een heel jaar.
D
De hoeveelheid water en grond die nodig is om een persoon van voedsel te voorzien.

Slide 50 - Quiz

This item has no instructions

5.3 Diëten
Een dieet is een aangepast voedingspatroon dat bijvoorbeeld kan variëren in de hoeveelheid energie, eiwitten, koolhydraten of zout.
Mensen volgen een dieet om verschillende redenen, zoals:
• gewichtsverlies;
• gezondheidsproblemen;
• sportprestaties;
• zwangerschap;
• voedselintoleranties en allergieën.

Slide 51 - Slide

This item has no instructions

5.4 Soorten diëten
Er zijn verschillende soorten diëten:

1. Voedingsstofbeperkte diëten beperken bepaalde voedingsstoffen, zoals zout of lactose.
2. Voedingsstofvrije diëten sluiten bepaalde voedingsstoffen volledig uit, zoals gluten of koemelk.
3. Voedingsstofverrijkte diëten bevatten meer van bepaalde voedingsstoffen, zoals eiwitten en calorieën.

Slide 52 - Slide

This item has no instructions

Wanneer kan een energiebeperkt dieet nodig zijn?

A
Als iemand een te hoge BMI heeft.
B
Als iemand een reumatische aandoening heeft
C
Als iemand een allergie voor noten heeft.
D
Als iemand een te laag lichaamsgewicht heeft.

Slide 53 - Quiz

This item has no instructions

Wat mag iemand met een glutenallergie niet eten?

A
Fruit
B
Popcorn
C
Pizza margarita
D
Rijstwafel met zeezout.

Slide 54 - Quiz

This item has no instructions

Wat kan iemand met een lactosevrij dieet niet eten?

A
Volkorenbrood
B
Kokosyoghurt
C
Pasta
D
Melk

Slide 55 - Quiz

This item has no instructions

Op welke aandoening heb je een verhoogde kans door obesitas?

A
Osteoporose
B
Hart- en vaatziekten
C
Griep
D
Bloedarmoede

Slide 56 - Quiz

This item has no instructions

Opdracht 
  1. Maak een samenvatting voor je toets.
  2. Maak toets vragen voor jezelf.
timer
40:00

Slide 57 - Slide

Is je klas te snel klaar? Pak een oud examen en oefen samen.

Neem de tijd om dingen uit te leggen en rekenopdrachten te maken.

Je kunt ook nog een SO geven.
       Terugkijken op            de leerdoelen
Je kan: 
  • belangrijke begrippen uit de module M&G en M&A benoemen en uitleggen (R)
  • opdrachten maken met de theorie die we eerder hebben geoefend. (T1)
  • kennis gebruiken om nieuwe vragen of casussen op te lossen. (T2)
  • reflecteren op mijn eigen bijdragen (I) 

Slide 58 - Slide

3. Leerdoelgericht werken
De docent geeft het onderwerp, RTTI geformuleerde leerdoelen en de lesopbouw aan. De docent weet de leerdoelen goed te laten aansluiten bij de voorkennis en het (taal)niveau van de leerlingen. Gedurende de les wordt continu een terugkoppeling naar de leerdoelen gemaakt om de mate van beheersing te controleren.   

Exit ticket
Wat kan je de volgende keer beter doen ? 

Slide 59 - Open question

Controleer wat de leerlingen hebben ingeleverd en bespreek dit samen in de klas. Neem ook de tijd voor reflectie.
Einde van de les
Bedankt voor je aandacht
Wees trots op wat je hebt bereikt vandaag
Neem mee wat goed is gegaan, verbeter zaken indien nodig
Laat je plekje netjes achter
(tafeltjes recht, stoelen aanschuiven en rommel opruimen)

Slide 60 - Slide

This item has no instructions