TaalCompleet B1 les 2.4

TaalCompleet B1 les 2.4
1 / 41
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

TaalCompleet B1 les 2.4

Slide 1 - Slide

59. Bespreek samen
Word je ziek en meld je je op je werk ziek, dan moet je in Nederland naar een bedrijfsarts.

1. Ben je of iemand die je kent weleens bij een bedrijfsarts geweest?
2. Wat zijn de verschillen tussen een bedrijfsarts en een huisarts, denk je?

Slide 2 - Slide

- doet lichamelijke onderzoek
huisarts
de bedrijfsarts
geeft advies aan de werkgever
geeft prikken
helpt je weer aan het werk te gaan
komt in ernstige situaties bij je thuis
schrijft medicijnen voor

Slide 3 - Drag question

60. Luister en beantwoord de vraag
Online tekst 2.4
Je hoort Ricardo en de bedrijfsarts Ricardo heeft een uitnodiging van de bedrijfsarts gekregen.

Waar spreken Ricardo en de bedrijfsarts over? meerdere antwoorden zijn goed.

Kijk in je boek opdracht 60 

Slide 4 - Slide

Waarom kan Ricardo niet meer werken?
A
Hij heeft veel last van de bijwerkingen van zijn medicijnen
B
Hij heeft zware rugpijn
C
Hij is van zijn fiets gevallen
D
weet ik niet

Slide 5 - Quiz

3. Wat heeft Ricardo gedaan om beter te worden?
A
Hij heeft foto's van zijn rug laten nemen
B
Hij is naar de fysiotherapeut geweest
C
Hij heeft meer geslapen dan normaal
D
Hij is naar de huisarts geweest

Slide 6 - Quiz

2. Waarom wil de bedrijfsarts met Ricardo praten?
A
Ze wil de beslissingen van de huisarts controleren
B
Ze wil Ricardo helpen om weer te gaan werken
C
Ze wil Ricardo's rug verder onderzoeken
D
weet ik niet

Slide 7 - Quiz

4. Wat moet Ricardo van de bedrijfsarts doen?
A
Hij moet een nieuwe afspraak met de bedrijfsarts maken medicijnen
B
Hij moet rustig aan doen
C
Hij moet met zijn baas gaan praten
D
Hij moet weer beginnen met werken

Slide 8 - Quiz

5. Wat gaat de bedrijfsarts doen?
A
Zij gaat een verslag maken van dit gesprek
B
Zij gaat met Ricardo's huisarts praten
C
Zij gaat kijken naar de foto's van Ricardo's rug
D
zij gaat Ricardo uitnodigen voor een nieuw gesprek

Slide 9 - Quiz

Nieuwe woorden
de aanpak -  afwisselend -  de beperking
de diagnose - functioneren
de mogelijkheid - de uitslag 
vertrouwelijk

Slide 10 - Slide

62. Welke zin betekent bijna hetzelfde:
1. Heb jij de uitslag van je examen al gekregen
A
heb jij de opdrachten van je examen al gekregen
B
heb jij de resultaten van je examen al gekregen

Slide 11 - Quiz

2. Daan functioneert niet goed. daarom heeft hij een gesprek met zijn baas
A
Daan begrijpt de anderen niet goed
B
Daan doet zijn taken niet goed

Slide 12 - Quiz

3. Op mijn werk heb je de mogelijkheid om 's middags warm te eten
A
op mijn werk kun je 's middags warm eten
B
op mijn werk mag je 's middags warm eten

Slide 13 - Quiz

4. Wat vind je van mijn aanpak om Nederlands te leren?
A
Wat vind je van mijn manier om Nederlands te leren?
B
Wat vind je van mijn plan om Nederlands te leren?

Slide 14 - Quiz

63.1 Na de ....... van de arts ben ik naar de fysiotherapeut gegaan
A
aanpak
B
diagnose

Slide 15 - Quiz

63.2 Het was een .................. dag. We hebben veel dingen gedaan.
A
afwisselende
B
vertrouwelijke

Slide 16 - Quiz

63.3 Ik kan veel maar ik heb ook mijn ................................
A
beperkingen
B
mogelijkheden

Slide 17 - Quiz

63.4 Een advocaat mag geen ............ informatie over zijn cliënt geven
A
afwisselende
B
vertrouwelijke

Slide 18 - Quiz

64. Spreek samen. Wat Past bij jou?
1. Ik zie er tegen op om naar een arts te gaan.
2. Ik schrijf thuis op wat ik wil zeggen tegen de arts.
3. Ik ga alleen naar de arts.
4. Ik maak oogcontact met de arts tijdens een gesprek.
5. Ik zeg 'u' tegen de arts.
6. Als ik de arts niet begrijp, vraag ik om uitleg.
7. Als ik niet met de arts eens ben, zeg ik dat tegen hem of haar.
8. Ik durf een arts alles te vertellen over mijn gezondheid.

Slide 19 - Slide

64. Spreek samen Wat Past bij jou?
1. Ik zie er tegen op om naar een arts te gaan.
2. Ik schrijf thuis op wat ik wil zeggen tegen de arts.
3. Ik ga alleen naar de arts.
4. Ik maak oogcontact met de arts tijdens een gesprek.
5. Ik zeg 'u' tegen de arts.
6. Als ik de arts niet begrijp, vraag ik om uitleg.
7. Als ik niet met de arts eens ben, zeg ik dat tegen hem of haar.
8. Ik durf een arts alles te vertellen over mijn gezondheid.

Slide 20 - Slide

Werkblad 2.4a
https://leren.kleurrijker.nl/mod/resource/view.php?id=2609

Slide 21 - Slide

Handige zinnen
Je mening geven bij een arts

Ik wil graag  ....................
Ik wil liever ......................
Ik wil liever niet ..............

Slide 22 - Slide

Luister en zeg na
  1.  Ik heb een vraag over het plan van aanpak.
  2. Kunt u misschien mijn been onderzoeken.
  3. Wilt u iets vertellen over de behandeling?
  4.  Mag ik een extra foto laten maken?
  5. Wat bedoelt u met diagnose?
  6. Ik wil graag met een coach praten.
  7. Ik wil liever een andere fysiotherapeut.
  8. Ik wil liever niet meer voltijds werken.

Slide 23 - Slide

Handige zinnen
Vragen stellen
Ik heb een vraag over .....
Kunt u misschien .....?
Wilt u iets vertellen over ....?
Mag ik ...... ?
Wat bedoelt u met .....?

Slide 24 - Slide

67. Bespreek samen
1. Je begrijpt de uitleg van de arts niet. Wat vraag je?
2. De arts gebruikt het woord 'verdoving'. Je begrijpt dit niet. Wat vraag je?
3. De arts praat te snel. Wat vraag je?
4. Je wilt informatie over de bijwerkingen van een medicijn? Wat vraag je?
5. De arts wil lichamelijk onderzoek, maar je wilt dit niet. Wat zeg je?
6. De arts geeft het advies om naar de sportschool te gaan. Maar je hebt geen geld voor de sportschool. Wat zeg je?
7. Wat kun je nog meer vragen als je bij de huisarts of bedrijfsarts bent? Schrijf 2 vragen op.

Slide 25 - Slide

Voltooide tijd met zijn
Werkwoorden van beweging:   Ik ben gegaan - zij zijn gestopt
Maar:
 ik heb de hele dag gelopen en ik ben naar school  gelopen.

een richting in de zin -> dan zijn bij de voltooide tijd

Slide 26 - Slide

Werkwoorden van verandering
ik ben begonnen
ik ben gekomen
hij is overleden
ik ben geslaagd
ik ben getrouwd

Slide 27 - Slide

68.1 Jij .... naar de bedrijfsarts geweest
A
hebt
B
bent

Slide 28 - Quiz

68.2 Sam ..... na school naar huis gerend
A
heeft
B
is

Slide 29 - Quiz

68.3. Ik .............. in de auto van mijn broer gereden
A
heb
B
ben

Slide 30 - Quiz

68.4. Nahom ........ een afspraak gemaakt
A
heeft
B
is

Slide 31 - Quiz

68.5 Het kopje ...... op de grond gevallen
A
heeft
B
is

Slide 32 - Quiz

68.6 Julian ..... op tijd naar zijn werk vertrokken
A
is
B
heeft

Slide 33 - Quiz

68.7 Er ...... een ongeluk gebeurd
A
heeft
B
is

Slide 34 - Quiz

68.8 Wij .... de bedrijfsarts gebeld
A
hebben
B
zijn

Slide 35 - Quiz

69. Spreek samen. Gebruik hele zinnen.
1. Hoe laat ben jij naar de les gekomen?
2. Hoe laat ben je opgestaan?
3. Hoe vaak ben je dit jaar ziek geweest?
4. Hou oud ben je op je vorige verjaardag geworden?
5. Waar ben je deze week heen gegaan?
6. Ben je getrouwd?
7. Wanneer ben je uit jouw land vertrokken?
 8. Wanneer ben je met de Nederlandse les begonnen?

Slide 36 - Slide

70. Spreek samen. Gebruik hele zinnen.
Kijk in je boek op pagina 70, opdracht 70.

Tweetallen.
Cursist A: lees de vraag
Cursist B: geef antwoord met de woorden tussen haakjes. Maak hele zinnen.

Klaar? dan leest cursist B een vraag

Voorbeeld:
1. waarom ben je zo verdrietig? (opa - overlijden)

Slide 37 - Slide

werkblad 2.4b
je gaat een strip schrijven.

gebruik de voltooide tijd

Slide 38 - Slide

72. Spreek samen. Gebruik hele zinnen.
Kijk in je boek op pagina 70, opdracht 72.

Tweetallen.
Cursist A: je bent de bedrijfsarts. Lees de vragen 
Cursist B: je bent werknemer. je bent ziek en kunt niet meer werken. Kijk naar de foto's en geef antwoord. 

Klaar? dan  is cursist B de bedrijfsarts

Slide 39 - Slide

73. Spreek samen. Gebruik hele zinnen.
Kijk in je boek op pagina 71, opdracht 73.

Tweetallen.
Cursist A: je bent werknemer en je hebt een beroepsziekte. Kies ene beroepsziekte uit de tekst Beroepsziektes op pagina 53. Spreek met de bedrijfsarts. Gebruik de vragen uit opdracht 72 of bedenk zelf vragen
Cursist B: je bent bedrijfsarts. gebruik de vragen uit opdracht 72 of bedenk zelf vragen

Klaar? dan  is cursist B werknemer en kiest een andere beroepsz

Slide 40 - Slide

maak de opdrachten bij 2.4 online

Slide 41 - Slide