Entree Nederlands les 4

Nederlands
Lezen en luisteren
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Nederlands
Lezen en luisteren

Slide 1 - Slide

Doelen

1. Je kent de woorden van periode 2;
2. Je kunt vragen beantwoorden over een tekst;
3. Je kunt vragen beantwoorden bij een luisterfragment. 



Slide 2 - Slide

Woorden thema 2
Beschrijven wat hygiëne inhoudt. 

Woorden herkennen die met hygiëne te maken hebben. 

Slide 3 - Slide

Woordenschat
Maak het werkblad 'woorden en verklaringen zoeken'. 

Welke uitleg past bij welk woord? 
Schrijf het juiste cijfer op. 


timer
5:00

Slide 4 - Slide

Nederlands
Onderdeel lezen

Slide 5 - Slide

We gaan vandaag een lekkere tekst lezen

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Waar denk je dat de tekst
over gaat?

Slide 8 - Mind map

Slide 9 - Slide

Welke woorden uit de tekst vind je moeilijk?

Slide 10 - Mind map

Wat is dit voor een soort tekst
A
informatief
B
overhalen (reclame)
C
instructie

Slide 11 - Quiz

Hoeveel tijd kost het om de pizza's te maken?
A
15 minuten
B
25 minuten
C
10 minuten
D
5 minuten

Slide 12 - Quiz

Wat betekent flinke in regel 5
A
stoere
B
blinkende
C
grote
D
verse

Slide 13 - Quiz

Waarom staat er bij topping 'bijvoorbeeld' ?

Slide 14 - Open question

Welke zin komt eerst?
A
Snijd de courgette in plakken.
B
Beleg vervolgens de pizza.
C
Verwarm de oven op 200 graden
D
Besmeer de plakken met een laagje tomatensaus.

Slide 15 - Quiz

Welke zinnen zijn niet waar
(meerdere antwoorden)
A
Een van de ingrediënten is 1 flinke courgette
B
Voor de topping gebruik je een bakplaat met bakpapier
C
De oven moet voorverwarmd op 220 graden
D
De bereiding kost 15 minuten

Slide 16 - Quiz

Wat is een ander woord voor geheel?
(regel 22)
A
een gedeelte
B
helemaal

Slide 17 - Quiz

Wat is een courgette?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 18 - Quiz

7

Slide 19 - Video

00:19
Hoeveel eieren gaan er in de mix?
A
2
B
3
C
1

Slide 20 - Quiz

00:30
Waarom gebruikt ze havermelk?
A
Dat vindt ze lekker.
B
Ze heeft geen gewone melk in huis.
C
Dat is beter voor de pannenkoeken.

Slide 21 - Quiz

00:56
Waar ligt het aan of je 20 pannenkoeken of meer kunt bakken?
A
Hoe dik je pannenkoeken zijn.
B
Of je knoeit of niet.
C
Wie de pannenkoeken bakt.

Slide 22 - Quiz

01:24
Wat doet ze met het kwastje?

Slide 23 - Open question

01:41
Hoe vaak smeert ze de pan in met boter?
A
Na elke pannenkoek.
B
Na vijf pannenkoeken.
C
Als de pan droog is.

Slide 24 - Quiz

01:47
Noem één soort beleg voor op de pannenkoek, volgens het filmpje.

Slide 25 - Open question

01:24
Wat is belangrijk bij het beginnen met bakken?
A
Dat er veel boter in de pan zit.
B
Dat het vuur hoog staat.
C
Dat de pan goed heet is.

Slide 26 - Quiz

Afsluiting

Slide 27 - Slide

Vragen?

Slide 28 - Mind map

Volgende les
Woordenschat veilig werken
Schrijven van een formulier.

Slide 29 - Slide