W1-ex3-LB1 Winkelformule opstellen

Exp 3: Een winkelformule opstellen
1 / 20
next
Slide 1: Slide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Exp 3: Een winkelformule opstellen

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

In deze les leer je:
1. Wat  een winkelformule is
2. Welke verkoop systemen er zijn
3. Wat een doelgroep is
4. Wat een assortiment is
5. Wat een Branche
6. Wat een marktpositie is
7. Wat concurrentie is

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Verschil winkelconcept en winkelformule
  • Winkelconcept
     
    = opzet voor een winkel die daarna wordt uitgewerkt in de winkelformule. 
  • Winkelformule
     
    = de manier waarop je de doelgroep probeert te bereiken en aan je winkel te binden.
 
  • Doelgroep = het deel van de markt waarop een bedrijf zich richt en dat zij tot klant wil maken.
  • Marktpositie = plaats die die de winkel op de markt inneemt ten opzichte van zijn concurrenten

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Verkoopsysteem = bedieningssysteem
Het verkoopsysteem geeft aan op welke manier de artikelen in een winkel worden verkocht.


Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Doelgroep

De winkelformule wordt gemaakt voor een doelgroep.
Dat is een groep mensen die je als klant wilt hebben.
Het assortiment en de prijzen moeten passen bij de doelgroep.



Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Het assortiment
= bestaat uit alle artikelen die een retailer aanbiedt in zijn winkel
         P van product (marketingmix)

Wat weet je al?
Breed assortiment = heel veel verschillende artikelen
Smal assortiment = een paar soorten artikelen
Diep assortiment = meerdere soorten van een bepaald artikel
Ondiep assortiment = 1 soort van een bepaald artikel

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Wat is een goed assortiment?
  • Actueel en modern
  • Aangepast aan de marktpositie
  • Afgestemd op de doelgroep
  • Overzichtelijk

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Een Branche
Branche: Een groep bedrijven die dezelfde soorten producten en diensten maakt en/of verkoopt. 

Denk aan: Schoenen, Verzekeringsbranche of kappersbranche

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Marktpositie
Marktpositie is een plaats die een bedrijf 
inneemt op een bepaalde markt. 


Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Concurrenten

Het aanbod komt niet alleen van de winkelier zelf, maar ook van zijn concurrenten. Dat zijn alle bedrijven die goederen of diensten aanbieden die in dezelfde behoeften van consumenten voorzien.

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Verschil winkelconcept en winkelformule
  • Winkelconcept
     
    = opzet voor een winkel die daarna wordt uitgewerkt in de winkelformule. 
  • Winkelformule
     
    = de manier waarop je de doelgroep probeert te bereiken en aan je winkel te binden.
 
  • Doelgroep = het deel van de markt waarop een bedrijf zich richt en dat zij tot klant wil maken.
  • Marktpositie = plaats die die de winkel op de markt inneemt ten opzichte van zijn concurrenten

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Verkoopsysteem = bedieningssysteem
Het verkoopsysteem geeft aan op welke manier de artikelen in een winkel worden verkocht.


Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Plaats
  1. A1-locatie = Winkelgebieden in de binnenstad
  2. A2- locatie = Winkels aan de rand van de binnenstad.
  3. B-locatie = Winkels liggen ver van de binnenstad af, vaak op het industrieterrein.

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Nu weet je:
1. Wat  een winkelformule is
2. Welke verkoop systemen er zijn
3. Wat een doelgroep is
4. Wat een assortiment is
5. Wat een Branche is
6. Wat een marktpositie is
7. Wat concurrentie is

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Wat is een buyer persona?
Een buyer persona is een fictief persoon die geldt als afspiegeling van je doelgroep(en).

Slide 16 - Slide

In feite is een persona niets meer dan een levendige verbeelding van je doelgroep. Je kiest als het ware één typische persoon die in het hart van je doelgroep zit. Eén persoon die symbool staat voor de hele doelgroep erachter. 
Wat is het doel?
Persona’s maken iets dat abstract, rationeel en feitelijk is (doelgroepbeschrijving) iets dat emotioneel, tastbaar en levendig is.

Het is makkelijker om content te maken voor “Landelijke Jolanda’ dan voor de doelgroep ‘Vrouwen tussen de 45 en 65’

Slide 17 - Slide

Associatief
Een persona doet ons wellicht denken aan een vriend, familielid of kennis. Hierdoor kunnen we ons makkelijk een voorstelling maken bij dit type persoon.

Emotioneel
We onthouden persona’s beter doordat ze letterlijk een naam en gezicht hebben gekregen.
Kenmerken van een buyer persona (1)
1. Gegevens:
Naam, leeftijd, geslacht, locatie, opleidingsniveau, beroep, inkomen.

2. Voorkeuren:
Merkvoorkeuren, gebruik van sociale media (welke?), aanspreekvorm (formeel of informeel)

3. Doelen en motivaties:
Wat wil de persona bereiken? Wat drijft hem of haar?

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Kenmerken van een buyer persona (2)
4. Uitdagingen en pijnpunten:
Welke problemen ervaart hij/zij? Wat zijn de grootste frustraties?

5. Informatiebronnen:
Waar haalt hij/zij informatie vandaan? Blogs, sociale media, vrienden, online reviews etc.

6. Koopproces: 
Hoe neemt hij/zij beslissingen? Impulsief of weloverwogen. Zijn zekerheden belangrijk (garanties, klantenservice, retourbeleid)?

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Kenmerken van een buyer persona (3)
7. Persoonlijkheidskenmerken:
Kenmerken die het gedrag en voorkeuren beïnvloeden. Analytisch, creatief, sociaal, pragmatisch, avontuurlijk, vasthoudend, voorzichtig.

Dit is hoe je je persona in een of twee woorden omschrijft, bijvoorbeeld:
"Analytische Anna", "Rory de uitsteller", "Loyale Harrie", "Landelijke Jolanda"

8. ... en beeld!
Geef je persona een gezicht die de kenmerken weerspiegeld.

Slide 20 - Slide

Persoonlijkheidskenmerken:
Analytisch: Houdt van gegevens en feiten, neemt beslissingen op basis van logica en bewijs.

Creatief: Zoekt naar nieuwe ideeën en innovatieve oplossingen, waardeert unieke en originele benaderingen.

Sociaal: Hecht veel waarde aan relaties en interactie, neemt vaak beslissingen in overleg met anderen.

Pragmatisch: Gericht op praktische oplossingen en directe resultaten, houdt niet van ingewikkelde processen.

Avontuurlijk: Houdt van nieuwe ervaringen en risico’s, staat open voor verandering en innovatie.

Vasthoudend: Heeft een sterke wil en doorzettingsvermogen, geeft niet snel op als het moeilijk wordt.

Voorzichtig: Neemt geen onnodige risico’s, heeft een afwachtende houding en doet grondig onderzoek voordat er een beslissing wordt genomen.