020326-Ontkenning (niet/geen)

De ontkenning
1 / 49
next
Slide 1: Slide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

This lesson contains 49 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

De ontkenning

Slide 1 - Slide

Bevestigend antwoorden

Is dit een stoel?
Ja, dit is een stoel.

Is dit een hond?
Ja, dit is een hond.
Ontkennend antwoorden

Is dit een stoel?
Nee, dit is geen stoel.

Is dit een hond?
Nee, dit is geen hond.

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

  1. Heb je een balkon?
  2. Hebben jullie Spaanse wijn?
  3. Moeten we het nagerecht al bestellen?
  4. Wil je een nieuwe spijkerbroek?
  5. Komen je ouders vanavond ook?
  6. Ken jij Martina?
  7. Heb je dit boek nodig?
  8. Is deze kamer te huur?
  9. Komt Alex uit Enschede?
  10. Betaalt Simon dit rondje?
  11. Houd je van boontjes?
  12. Zal ik mijn naam spellen?
Beantwoord de vraag ontkennend.
bevestigen - wel ontkennen - geen  / niet.

Slide 4 - Slide


  • Ik heb een pen. Ik heb geen pen.
  • Ik heb honger. Ik heb geen honger.
  • Ik heb honden. Ik heb geen honden.
  • Ik ga naar school. Ik ga niet naar school.
  • Ik werk hard. Ik werk niet hard.
Ontkennen

Slide 5 - Slide

Wim drinkt geen water.
Mijn broer werkt niet.
ONTKENNING = NEGATIEF

Slide 6 - Slide

Wanneer gebruik je geen?
1. Voor een de-woord of het-woord
dat niet specifiek is.
2. Voor een bijvoeglijk + zelfstandig naamwoord
3. Voor zelfstandige naamwoorden





1. Wim drinkt geen water.
1. Ik heb geen zin in rekenen.
2. Diana heeft geen rode pen.
3. Ik heb geen auto.


Slide 7 - Slide

Wanneer gebruik je geen?
4. Bij stofnamen (koffie, thee, 
suiker, zand, goud, zilver, hout
, papier, enz.
5. bij zelfstandig naamwoorden zonder lidwoord of met het onbepaalde lidwoord een.



4. Dennis heeft geen papier.
5. Diana heeft geen rode pen.


Slide 8 - Slide

Wanneer gebruik je niet?
Khuzama werkt niet.
Ik wil niet slapen.
Na een werkwoord
Voor een 2de werkwoord
Belal is niet boos.
Voor een bijvoeglijk naamwoord
De kat ligt niet op de grond.
Voor een voorzetsel
Ali komt niet te laat.
Voor andere woorden

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Maak deze zinnen ontkennend.
1. Ik drink water.
2. Ik heb een pen.
3. Ik heb de pen.
4. Ik schrijf met een pen.
5. Ik ben boos.
6. Ik wil slapen.

Slide 11 - Slide

We gaan oefenen!

Slide 12 - Slide

De ontkenning: 'niet'
A                                                                               B
Ben je jarig?
Nee, ik ben niet jarig.
Hou je van sport?
Nee, ik hou niet van sport.
Kom je uit Nederland?
Nee, ik kom niet uit Nederland.
Fiets je naar je werk?
Nee, ik fiets niet naar mijn werk.
Rook je?
Nee, ik rook niet.
Ben je getrouwd?
Nee, ik ben niet getrouwd?
Ga je op vakantie?
Nee ik ga niet op vakantie.
Ga je mee naar .......?
Nee, ik ga niet mee naar .......
Woon je in Rotterdam?
Nee ik woon niet in Rotterdam.

Slide 13 - Slide

De ontkenning: 'Geen'
A                                                                       B                  
                                                           
Heb jij een fiets? 
Nee, ik heb geen fiets.
Wil jij koffie?
Nee, ik wil geen koffie.
Wil jij taart?
Nee, ik wil geen taart.
Drink jij melk?
Nee, ik drink geen melk.
Spreek je Duits?
Nee, ik spreek geen Duits.
Heb jij kinderen?
Nee, ik heb geen kinderen.
Heb jij een hond?
Nee, ik heb geen hond.
Heb jij een pen?
Nee, ik heb geen pen.
Eet jij groente?
Nee, ik eet geen groente?

Slide 14 - Slide

Ik kom ............ naar het feest.
A
niet
B
geen

Slide 15 - Quiz

Ik ben............ groot.
A
Niet
B
Geen

Slide 16 - Quiz

Ik woon ............ in Leuven.
A
Niet
B
Geen

Slide 17 - Quiz

Ik eet ............ dessert.
A
Niet
B
Geen

Slide 18 - Quiz

Ik koop ............ ijs.
A
Niet
B
Geen

Slide 19 - Quiz

Mijn huis is ............ klein.
A
Niet
B
Geen

Slide 20 - Quiz

Ik heb ............ agenda.
A
Niet
B
Geen

Slide 21 - Quiz

Ik wil ............ fietsen.
A
Niet
B
Geen

Slide 22 - Quiz

Ik ben ............ ziek.
A
Niet
B
Geen

Slide 23 - Quiz

Ik zoek ............ huis.
A
Niet
B
Geen

Slide 24 - Quiz

Vandaag hebben we .... huiswerk.
A
niet
B
geen

Slide 25 - Quiz

Onze buren zijn vandaag .... thuis.
A
niet
B
geen

Slide 26 - Quiz

De baby wil .... slapen.
A
niet
B
geen

Slide 27 - Quiz

Ik heb hier .... computer.
A
niet
B
geen

Slide 28 - Quiz

Waarom ben je .... op tijd?
A
niet
B
geen

Slide 29 - Quiz

Ik drink .... koffie.
A
niet
B
geen

Slide 30 - Quiz

Ik hou .... van koffie.
A
niet
B
geen

Slide 31 - Quiz

Zij heeft ........... zin in thee.
A
niet
B
geen

Slide 32 - Quiz

Wil ze ook .............. koekje?
A
niet
B
geen

Slide 33 - Quiz

Heb je ............... huiswerk gemaakt?
A
niet
B
geen

Slide 34 - Quiz

Heb je ............... boek meegenomen?
A
niet
B
geen

Slide 35 - Quiz

Maak de zinnen ontkennend
Adam en Cassian luisteren altijd.
Ik zit in de les.
Ik ben blij. 
Ik heb een leuke klas.
Drink jij koffie?
Wij hebben twee telefoons.
Hij gaat graag naar de stad.

Slide 36 - Slide

Maak een zin met 'niet'
timer
1:00

Slide 37 - Open question

Maak een zin met 'geen'
timer
1:00

Slide 38 - Open question

Nu is het aan jou! Maak nu zelf de zin negatief!


Vergeet je hoofdletters en je leestekens niet.

Slide 39 - Slide

Ik heb kinderen.

Slide 40 - Open question

Ik ben getrouwd

Slide 41 - Open question

Ik woon in Leuven.

Slide 42 - Open question

Ik heb een potlood.

Slide 43 - Open question

Ik kook graag.

Slide 44 - Open question

Ik speel graag cricket.

Slide 45 - Open question

Ik kom graag naar school.

Slide 46 - Open question

Ik ben de leerkracht.

Slide 47 - Open question

Ik heb een boekentas.

Slide 48 - Open question

Ik kan een zin ontkennend maken --> geen of niet.
๐Ÿ˜’๐Ÿ™๐Ÿ˜๐Ÿ™‚๐Ÿ˜ƒ

Slide 49 - Poll