3.1 Sociale ongelijkheid



De samenleving en verschillen


3.1 Sociale ongelijkheid
1 / 13
next
Slide 1: Slide
MaatschappijleerMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 13 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 150 min

Items in this lesson



De samenleving en verschillen


3.1 Sociale ongelijkheid

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Sociale ongelijkheid
situatie waarin verschillen tussen mensen. in al dan niet aangeboren kenmerken, consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling.

Slide 3 - Slide

Opdracht propjes

Zorg ervoor dat je papier in de papierbak terecht komt, zonder dat je meer doet dan opstaan.

Slide 4 - Slide

Opdracht propjes

Waar zouden de papiertjes en de bak symbool voor kunnen staan?

Kon je iets doen aan je positie in de klas?

Slide 5 - Slide

Opdracht M&M's

Krijg M&M's en zie wat er gebeurt.

Slide 6 - Slide

Opdracht M&M's

Waar zouden de M&M's symbool voor kunnen staan?

Kon je iets doen aan de hoeveelheid die je kreeg?

Slide 7 - Slide

4 vormen van sociale ongelijkheid:
  1. Economische hulpbronnen - geld & bezit
  2. Sociale hulpbronnen - contact
  3. Symbolische hulpbronnen - status en aanzien
  4. Politieke hulpbronnen - macht en gezag

Slide 8 - Slide

  • Sociale stratificatie: verdeling van groepen in de samenleving waartussen ongelijkheid bestaat. Ander woord: sociale lagen.
  • Ordenen leidt tot maatschappelijke ladder.

Slide 9 - Slide

  • Sociale mobiliteit: bewegen op de maatschappelijke ladder.
  • Positietoewijzing: je plek op de ladder wordt bepaald.
  • Positieverwerving: je krijgt door werken/opleiding positie op de ladder

Slide 10 - Slide

3 soorten kapitaal:
  1. Economisch kapitaal: bezit en inkomen.
  2. Sociaal kapitaal: connecties en netwerken.
  3. Cultureel kapitaal: kennis, houding, opvatting en smaak passend bij hoge sociale positie.

Slide 11 - Slide

Verzorgingsstaat
  • verzorgingsstaat heeft als doel om solidariteit te reguleren. Zorgt voor minder sociale ongelijkheid.
  • Collectieve goederen: voor iedereen beschikbaar, ongeacht je positie. Vb. school, schoon water.
  • Private goederen: hiervoor moet je betalen, dus exclusief.
  • Collectieve actie: zorgen voor collectieve goederen.

Slide 12 - Slide

Huiswerk
Maken opdracht 3 en 4.

Slide 13 - Slide