5.5: tener/vocabulario + expertgroepen

Español A1/A2 
1 / 16
next
Slide 1: Slide
SpaansMBOStudiejaar 1,2

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min
Report this lesson

Items in this lesson

Español A1/A2 

Slide 1 - Slide

¿Qué vamos a hacer hoy?
- El verbo 'tener'
- Vocabulario

Slide 2 - Slide

Al final de la clase...
- Weet je wat het werkwoord 'tener' betekent.
- Kun je jezelf voorstellen in het Spaans.
- Weet je de dagen en maanden in het Spaans.

Slide 3 - Slide

La próxima clase...
- Herhaling van alle stof voor de toets.
- Oefentoets

Slide 4 - Slide

Onderwerpen:
- Lidwoorden
- Regelmatige werkwoorden
- Het werkwoord 'ser'
- Het werkwoord 'tener'
- Cijfers tot en met 20
- Woordenschat: jezelf voorstellen + data

Slide 5 - Slide

¿Qué día es? (p. 53)
Hoy es ...
El mes es ...

Slide 6 - Slide

Palabras importantes:
Hoy es martes
Mañana es miércoles
El mes es octubre
El fin de semana es 
sábado y domingo

Slide 7 - Slide

El verbo 'tener'

Slide 8 - Slide

¿Qué significa 'tener'?

Yo tengo dieciocho (18) años
Tú tienes dos hermanos
Ella tiene un gato
Nosotros tenemos un libro
Vosotros tenéis un perro
Ellos tienen una relación

Slide 9 - Slide

'Tener' significa hebben
Yo tengo dieciocho años (ik ben achttien jaar)
Tú tienes dos hermanos (jij hebt twee broers)
Ella tiene un gato (zij heeft een kat)
Nosotros tenemos un libro (wij hebben een boek)
Vosotros tenéis un perro      (jullie hebben een hond)
Ellos tienen una relación       (zij hebben een relatie)

Slide 10 - Slide

El verbo TENER (hebben)
Yo
Tengo
Tú
Tienes
Él/ella/usted
Tiene
Nosotros
Tenemos
Vosotros
Tenéis
Ellos/ellas/ustedes
Tienen

Slide 11 - Slide

Wanneer gebruik je 'tener'?
Usamos el verbo TENER para:

- Bezit (ella tiene un gato -> zij heeft een kat)
- Leeftijd (yo tengo veinte años -> ik ben twintig jaar)
- (+ que) moeten (tienes que estudiar -> jij moet studeren)

Slide 12 - Slide

Jezelf voorstellen, hoe zeg je...
- Wie je bent? (ser)
- Hoe oud je bent? (tener)
- Waar je woont? (vivir)
- Wat je studeert? (estudiar)
- Welke talen je spreekt? (hablar)

Voorbeeldopdracht toets!

Slide 13 - Slide

Ahora: preparación
Aan de slag met de voorbereiding op de toets.
Dit doen we in expertgroepen.

Slide 14 - Slide

Expertgroep:
  • Iedereen krijgt straks een nummer (1 - 4).
  • Iedereen met hetzelfde nummer gaat bij elkaar zitten.
    Groep 1/2: in het lokaal, 3/4 op de gang
  • Je gaat je met je groepje verdiepen in het onderwerp dat bij jouw nummer hoort (30 minuten).
  • Je bereid een korte uitleg voor (met presentatie) en een passende opdracht om te checken of de stof duidelijk is bij je klasgenoten.
  • De laatste 20 minuten houdt elk groepje een korte presentatie.

Slide 15 - Slide

Grupos:
Grupo 1: regelmatige werkwoorden
Grupo 2: ser + tener
Grupo 3: lidwoorden + zelfstandig naamwoord
Grupo 4: dagen/maanden + cijfers tot en met 20

Slide 16 - Slide