Les 4 A1

Nederlands met de Klinker
1 / 37
next
Slide 1: Slide
BurgerschapISK

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes, text slides and 6 videos.

Items in this lesson

Nederlands met de Klinker

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?


-  Hoe bestel je iets in een restaurant of café?

- De namen leren van verschillende groente en fruit

Slide 2 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?

- Raad de naam van deze groente of fruit

-  Je gaat zelf uitleggen hoe je iets gekookt hebt

- De namen leren van verschillende groente en fruit

Slide 3 - Slide

Wat gaan we doen vandaag?

- Raad de naam van deze groente of fruit

-  Je gaat zelf stap voor stap uitleggen hoe je een recept maakt

- De namen leren van verschillende groente, fruit en kruiden

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video



1. Waar gaat dit nieuws over?
2. Zie je echte dokters in de filmpjes?
3. Zijn de filmpjes echt of nep?
4. Waar waarschuwt het ziekenhuis voor?

5. In welk land is het gebeurd?
6. Wat is er ingestort?
7. Zijn de mensen daar bang?

8. Welk dier zwemt bij Nederland?
9. Is dat dier normaal in Nederland?
10. Wat moeten mensen doen met het dier?




Beantwoord de vragen, gebruik korte antwoorden van één/twee woorden of een korte zin. 
Vragen en opdracht bij het NOS Journaal

Slide 6 - Slide

Pastinaak
Rode biet
Prei
Spruitjes
Spitskool

Slide 7 - Drag question

Verleden tijd
Praten over vroeger:
Voltooide tijd: Ik heb gisteren met jou gepraat.
-> met hulpwerkwoord (hebben en zijn) en voltooid deelwoord

Verleden tijd: Ik werkte gisteren op school.
-> Bij regelmatige werkwoorden op het einde: -te(n) of - de(n)
-> veel onregelmatige werkwoorden

Slide 8 - Slide

Verleden tijd
Maak de stam:                              werken- werk        wonen-woon

Kijk naar de laatste letter. Zit die in softketchup?
Ja: + te of + ten                             werkte                werkten
Nee: + de of + den                       woonde              woonden


Slide 9 - Slide

Verleden tijd
zijn                                  hebben                             gaan
ik was                             ik had                                 ik ging
jij was                             jij had                                 jij ging
hij/zij/u was                 hij had                               hij ging
wij waren                      wij hadden                      wij gingen
jullie waren                  jullie hadden                  jullie gingen
zij waren                       zij hadden                       zij gingen

Slide 10 - Slide

Vroeger.... wij op vakantie naar Spanje.
A
gaat
B
hadden
C
gaan
D
gingen

Slide 11 - Quiz

Vroeger.... wij lang vakantie.
A
gaat
B
hadden
C
gaan
D
gingen

Slide 12 - Quiz

Ik... vorig jaar in Spanje.
A
ging
B
woont
C
woonde
D
gaat

Slide 13 - Quiz

Wij ... toen vaak door de bergen.
A
gingen
B
fietsten
C
woonden
D
hadden

Slide 14 - Quiz

Toen ik ouder was, ... wij verhuizen.
A
gingen
B
waren
C
wilden
D
hadden

Slide 15 - Quiz

Ik ... toen erg verdrietig.
A
had
B
ben
C
wilde
D
was

Slide 16 - Quiz

Toen we in Nederland ..., .... het best leuk.
A
hadden, was
B
verhuisden, waren
C
kwamen, was
D
miste, had

Slide 17 - Quiz

Instructie veel gebruikte zinnen

In de les zijn de volgende zinnen besproken, luister naar de zinnen om de uitspraak goed te horen. Zoek de woorden die je niet kent op en noteer deze op een blaadje.

Slide 18 - Slide

Instructie veel gebruikte zinnen

In de les zijn de volgende zinnen besproken, luister naar de zinnen om de uitspraak goed te horen. Zoek de woorden die je niet kent op en noteer deze op een blaadje.

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

Slide 21 - Video

Slide 22 - Video

Slide 23 - Video

Slide 24 - Video

Bereid voor de volgende les het volgende voor
Je bent in een café of restaurant.
Je bent de gast. Vul de zinnen aan met de standaardzinnen (A1).
Bediening:
Goedemiddag, wat wilt u bestellen?
Gast (eten):
(bijv. Ik wil graag de risotto met venkel / Mag ik linzensoep, alstublieft?)
Bediening:
En wat wilt u drinken?

Gast (drinken):

(bijv. Ik wil water drinken.)

Bediening:
Is dat alles?

Gast (afronden):

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Link

Slide 27 - Link

Slide 28 - Link

Standaardzinnen bestellen A1

• Ik wil graag de risotto met venkel.
• Mag ik linzensoep, alstublieft?
• Ik wil water drinken.
Afronden
• Dat is alles, dank u wel.



Slide 30 - Slide

Standaardzinnen A2
• Mag ik de linzencurry met rijst, alstublieft?
• Ik wil graag water zonder prik.
Vragen en extra wensen
• Is dit gerecht veganistisch?
• Kunt u dat zonder saus maken?
Vragen naar allergenen
• Zitten er noten in dit gerecht?
• Bevat dit gerecht gluten?
• Zit er melk in dit gerecht?
• Ik ben allergisch voor …
• Is dit gerecht geschikt voor iemand met een allergie?
Afronden
• Mag ik de rekening, alstublieft?

Slide 31 - Slide

Bereid voor de volgende les het volgende voor


Klik op de link op de volgende pagina en maak de huiswerk opdracht en neem deze mee naar de volgende les. 

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Link

Bereid voor de volgende les het volgende voor
Opdracht B1 (spreken):
Stap voor stap een recept uitleggen
● Kies een recept dat je hebt gemaakt.
● Schrijf 8–10 zinnen.
● Gebruik de voltooid verleden tijd.
● Noem hoeveelheden (gram, liter, stuks, lepels).
● Gebruik verbindingswoorden: eerst, daarna, vervolgens, ten slotte.

Slide 34 - Slide

Wat heb je gedaan deze les?



- Hoe bestel je iets in een restaurant of café?

- De namen leren van verschillende groente en fruit


Slide 35 - Slide

Wat heb je gedaan deze les?

- De namen geraden van groente of fruit

-  Je gaat zelf uitleggen hoe je iets gekookt hebt

- De namen leren van verschillende groente en fruit

Slide 36 - Slide

Wat heb je gedaan deze les?

- De namen geraden van groente of fruit

-  Je gaat zelf stap voor stap uitleggen hoe je een recept maakt

- De namen leren van verschillende groente, fruit en kruiden

Slide 37 - Slide