V1 Schrijfvaardigheid 40 en 41 07-03-24

Nederlands
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Nederlands

Slide 1 - Slide

Programma
  1. 10 minuten lezen
  2. Huiswerkopdrachten H 40 bespreken
  3. Herhaling schrijfvaardigheid 40
  4. Schrijfvaardigheid 41
  5. Afsluiting en vooruitblik

Slide 2 - Slide

10 minuten lezen

Slide 3 - Slide

Opdracht 3 nakijken
1 Inleiding: aankondigen brugklaskamp Ameland.

Kern: Praktische informatie geven aan de ouders van leerlingen. 
Waar is het en wanneer?
3 Wat is het programma?
4 Welke spullen moeten leerlingen meenemen?

5 Slot: Herhalen van de belangrijkste informatie (wat, waar, wanneer en welke spullen mee moeten) in het kort.

Slide 4 - Slide

Opdracht 5 nakijken
a In de eerste tekst geeft de schrijver een leuk en herkenbaar voorbeeld. In de tweede tekst stelt de schrijver een vraag, namelijk ‘maar wat doet H&M nou écht om duurzamer te worden? Als je het antwoord wil weten op deze vraag, moet je de tekst wel verder lezen.
b In de eerste tekst geeft de schrijver in de laatste zin aan wat hij gaat bespreken, namelijk de opmerkelijke herkomst van sommige gebaren. In de tweede tekst geeft de schrijver met de laatste vraag aan wat hij in de tekst gaat beschrijven, namelijk hoe H&M duurzaam probeert te worden.
c Eigen antwoord. Let op dat het antwoord een uitleg bevat.

Slide 5 - Slide

Opdracht 6 nakijken
Bijvoorbeeld:
Robinsons gezocht. Robinsons opgelet! Ben jij 12, 13 of 14 jaar oud en ben je er klaar voor om jouw survivalskills in de praktijk te brengen? Meld je dan nu aan voor een survivalreis in de Belgische Ardennen!

Slide 6 - Slide

Hoe is een tekst opgebouwd? Wat is de vaste indeling van een tekst?

Slide 7 - Mind map

Wat is het doel van de inleiding van een tekst?
A
de aandacht van de lezer trekken en het onderwerp introduceren
B
uitleggen waarom de tekst is geschreven
C
de lezer gunstig stemmen
D
vertellen wat je verder in de tekst kunt verwachten

Slide 8 - Quiz

Wat is het doel van het middenstuk/de kern van een tekst?
A
het middenstuk heeft geen specifiek doel
B
het middenstuk sluit de tekst af
C
het middenstuk werkt de deelonderwerpen verder uit
D
het middenstuk geeft feitelijke informatie

Slide 9 - Quiz

Welke uitspraak is NIET waar?
1. Informatie die bij elkaar hoort, zet je in dezelfde alinea.
2. Je kunt een tussenkopje gebruiken om het deelonderwerp duidelijk te maken.
3. Als je een middenstuk schrijft, bestaat dat altijd uit 2 alinea's.
4. Je kunt hulpvragen bedenken om zo beter je tekst te kunnen schrijven.
A
uitspraak 1
B
uitspraak 2
C
uitspraak 3
D
uitspraak 4

Slide 10 - Quiz

Wat is het doel van het slot van een tekst?
A
het slot rond de tekst af met een leuke zin
B
het slot sluit de tekst af met een samenvatting of een conclusie
C
het slot heeft geen specifiek doel en kan worden weggelaten
D
het slot geeft suggesties om verder te lezen over het onderwerp

Slide 11 - Quiz

Middenstuk/Kern
Vaak wil je over het onderwerp van je tekst verschillende dingen vertellen. Je verdeelt je onderwerp dan in deelonderwerpen.

Een hulpvraag bij het bedenken van deelonderwerpen is: welke vragen kan de lezer stellen over jouw onderwerp? De deelonderwerpen geven antwoord op de vragen van de lezer.

Slide 12 - Slide

Aan het werk
Maak opdr 1, opdr 2 (kies onderwerp d) en opdr 3 van H41 in je schrift. Je mag zachtjes overleggen met je buur. Ben je klaar, ga je nog even lezen in je leesboek.

Slide 13 - Slide

Opdracht 1 nakijken
a Gebeurtenissen (je gaat vertellen wat er allemaal gebeurd is tijdens die wedstrijd)
b Antwoorden (je gaat antwoord geven op de vraag)
c Argumenten (je gaat vertellen waarom iedere Nederlander automatisch orgaandonor moet worden)
d Oplossingen (je gaat oplossingen aandragen om winkels rolstoeltoegankelijker te maken)

Slide 14 - Slide

Opdracht 2 nakijken
a Bijvoorbeeld (bij onderwerp d): Om welke problemen gaat het? Wat zouden winkeliers kunnen doen om hun winkels beter toegankelijk te maken voor bezoekers in een rolstoel?
b Bijvoorbeeld (bij onderwerp d): Een deelonderwerp kan gaan over een rolstoelgebruiker, die uitlegt welke problemen hij ervaart tijdens het winkelen. Een ander deelonderwerp kan gaan over mogelijke oplossingen voor de huidige problemen.

Slide 15 - Slide

Opdracht 2 nakijken
Huidige problemen
Joost is 23 jaar en zit vanwege een auto-ongeluk al meer dan tien jaar in een rolstoel. “Vooral in het begin vond ik het erg lastig om te accepteren, maar na een tijdje begon het gelukkig toch steeds meer te wennen en kon ik me ook steeds beter redden in mijn stoel.” Toch blijven sommige dingen ook nu nog lastig voor Joost. “Een van de moeilijkste dingen vind ik toch wel winkelen. In veel openbare gebouwen wordt rekening gehouden met rolstoelgebruikers, maar in de meeste kledingwinkels is hier nog weinig van terug te zien.” Vooral zware deuren die niet vanzelf opengaan en drempels of trappen bij de ingang of in de winkel zelf weerhouden Joost en andere rolstoelgebruikers ervan om fijn te kunnen winkelen. “Oh, en de hoge kledingrekken! De meeste winkelmedewerkers zijn altijd heel vriendelijk en willen je overal wel mee helpen, maar het blijft toch vervelend als je steeds hulp moet vragen om kledingstukken alleen maar te kunnen pakken of bekijken.”

Slide 16 - Slide

Opdracht 2 nakijken
Mogelijke oplossingen
Winkelen zou voor iedereen een gezellige en aangename bezigheid moeten kunnen zijn. Om rolstoelgebruikers daarbij niet buiten te sluiten, kunnen in winkels verschillende aanpassingen worden gedaan. Om te beginnen zou het mogelijk moeten zijn om met een rolstoel de winkel te betreden. Dit betekent dat zware deuren die handmatig geopend moeten worden, beter vervangen kunnen worden door automatische schuifdeuren. Bovendien zou bij de ingang, maar ook in de winkel zelf, gelet moeten worden op eventuele drempels of traptreden, die de toegang voor rolstoelgebruikers onmogelijk maken. Verder zouden de gangpaden in de winkels niet te smal moeten zijn, waardoor ook rolstoelgebruikers overal langs kunnen. Tot slot kan ook rekening gehouden worden met de hoogte van de aangeboden producten. Winkeliers kunnen er wat dat betreft voor zorgen dat de meeste producten vanuit ‘zithoogte’ gepakt kunnen worden.


Slide 17 - Slide

Opdracht 3 nakijken
a De tekst geeft helemaal geen antwoord op de vraag die er in de inleiding gesteld wordt.
b Je kunt een alinea toevoegen waarin je wel antwoord geeft op deze vraag. Je zou bijvoorbeeld resultaten van een enquête kunnen verwerken. 
Ook zou je de vraag uit de inleiding kunnen aanpassen.

Slide 18 - Slide

Het slot: de uitsmijter
In het slot sluit je de tekst af met een samenvatting of een conclusie.
Daarnaast geef je ook nog een uitsmijter (nee geen gebakken ei met ham en kaas), maar:
  • een vraag die de lezer aan het denken zet (Wat zullen onze achterkleinkinderen ervan vinden dat wij onze auto's nog zelf besturen?);
  • een prikkelende stelling (We kunnen dus wel stellen dat de minister van Onderwijs haar huiswerk slecht heeft gedaan)
  • een oproep om iets te doen of juist te laten (Dus waar wacht je nog op? Trek aan die hardloopschoenen). 

Slide 19 - Slide

Bekijk de tekst van opdracht 6 op pagina 168 van je boek.
Welke deelonderwerpen staan er in het middenstuk van deze tekst? Hoe weet je dat?

Slide 20 - Mind map

Bekijk de tekst van opdracht 6 op pagina 168 van je boek.
Wat is het onderwerp van deze tekst?

Slide 21 - Mind map

Bekijk de tekst van opdracht 6 op pagina 168 van je boek.
Welk soort uitsmijter gebruikt de schrijver?

Slide 22 - Mind map

Maak opdracht 7 op pagina 169 van je boek.
Je typt het slot dat je schrijft bij 7d hier in de LessonUp.

Slide 23 - Open question

Kortom, het is van belang dat er rekening wordt gehouden met de manier waarop jongeren worden benaderd. Zolang jongeren niet direct worden aangesproken, zullen ze zich ook niet snel aangesproken voelen.

Slide 24 - Slide

Afsluiting en vooruitblik
Morgen bij bu: interview met 3 leerlingen uit de klas met boevenbouwleerling en gesprekjes. Wie wil?
Volgende les Ne: di 12 maart
  • Huiswerk: leren theorie p. 162, 164, 166 en 168
  • Meenemen: LAPTOP, leesboek, boek en pen
  • Programma: schrijfvaardigheid



Slide 25 - Slide