lesson 9

Unit 5 - lesson 9
1 / 25
next
Slide 1: Slide
EngelsVoortgezet speciaal onderwijs

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Unit 5 - lesson 9

Slide 1 - Slide

Plan of today
  • What did we learn last time?
  • Learning goal of today 
  • Instruction
  • Get to work 
  • Hot seat
  • Evaluation

Slide 2 - Slide

Use the present simple:
(drive) Mary and Sophie ________ to work every day.

Slide 3 - Open question

Use the present simple:

(eat) She _____________ any vegetables.
A
doesn't eat
B
don't eat

Slide 4 - Quiz

Add the right tag:
They are coming over, ______?

Slide 5 - Open question

Translate to English:
kantinedame

Slide 6 - Open question

Translate to Dutch:
regular

Slide 7 - Open question

Learning Goal
What is the learning goal of today?
  • I can use some and any correctly to tell someone there isn't a lot of something.
  • Ik kan some en any correct gebruiken om aan iemand te vertellen dat er een klein beetje is van iets.

What do you know about the learning goal? 
beetje pasta =

How are we going to reach the learning goal?
You will follow an instruction (5 minutes)
You will work on the worksheets exercises (15 min.)

Slide 8 - Slide

Uitleg alleen voor KGT
HAVO: 
Werk nu aan het werkblad! Lees zelf de instructie op het blad.

Slide 9 - Slide

Some <> any
Some en any betekenen allebei enige / enkele / een paar
  • Ik heb een beetje pasta = I have some pasta
  • Ik heb enkele munten = I have some coins
  • Ik heb geen keus = I haven't got any choice


Slide 10 - Slide

some

Je gebruikt some bij:
  • bevestigende zinnen/zinnen waarin het nou eenmaal zo is

Voorbeelden:
  • She has some milk.
  • I want some food.
  • They've got some questions.
any

Je gebruikt any bij:
  • Vraagzinnen
  • Ontkennende zinnen (het is niet zo)
Voorbeelden:
  • I don't want any pasta.
  • Have you got any pizza?
  • I haven't got any choice.

Slide 11 - Slide

Use the right word:

I want _________ fries.
A
some
B
any

Slide 12 - Quiz

Choose the right word:

I don't have _____ idea where it could be.
A
some
B
any

Slide 13 - Quiz

Get to work!
  • Maak het werkblad (10 min.)
  • We kijken het daarna na.
  • Je bent stil aan het werk!
  • Ondertussen krijgt HAVO ook uitleg.

Slide 14 - Slide

Much <> Many
Much en many betekenen beiden veel.

Much gebruik je als..
  • je iets niet kan tellen
  • er geen -s achter het woord kan
  • much water, much coffee, much milk

Many gebruik je als:
  • je wel iets kan tellen
  • er kan -s achter het woord
  • many eggs, many hours, many apples

Slide 15 - Slide

few <> little
Little en few betekenen weinig.

  • Few people, few days, few cars
  • Weinig mensen, weinig dagen, weinig auto's

  • Little money, little time, little energy
  • Weinig geld, weinig tijd, weinig energie

Slide 16 - Slide

Wanneer gebruik je few:

*het is weinig
*je kan het tellen
*er kan -s achter het woord
*Few eggs, few cups, few plates, few apples
Wanneer gebruik je little:

*het is weinig
*je kan het niet tellen
*er kan geen -s achter het woord
*Little time, little energy, little water

Slide 17 - Slide

Use the right amount:

I've got ______ money to spend.
A
little
B
few

Slide 18 - Quiz

HOT SEAT!

Slide 19 - Slide

pupil (leerling)

Slide 20 - Slide

tap (kraan)

Slide 21 - Slide

out of bounds (verboden terrein)

Slide 22 - Slide

regular (vaste klant)

Slide 23 - Slide

healthy (gezond)

Slide 24 - Slide

EVALUATION
  • What went well?

  • What can go better?

  • Did we reach the learning goal?

Slide 25 - Slide