Duitse modale werkwoorden: sollen, wollen, dürfen & mögen

Duitse modale werkwoorden: wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können und wissen

1 / 13
next
Slide 1: Slide
New lesson editorDuitsMiddelbare schoolMBOPraktijkonderwijsvmbo k, g, tLeerjaar 2Studiejaar 2

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Duitse modale werkwoorden: wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können und wissen

Leerdoel

Aan het einde van deze les ken je de betekenis van de modale werkwoorden wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können en wissen.


Daarna ga je de opdrachten uit de planner maken.

Wat zijn modale werkwoorden?

Modale werkwoorden veranderen de betekenis van het hoofdwerkwoord. Ze geven bijvoorbeeld toestemming, moeten of willen aan.

Wanneer gebruik je sollen en müssen?

müssen

sollen betekent dat je iets moet doen, een ander legt het op, bevel, dwang, op advies van iemand anders.

müssen betekent er valt nu eenmaal niets aan te doen, het moet nu eenmaal.

sollen

Du sollst gehen! (jij moet gaan!)

Ich muss zur Schule. (ik moet naar school)

Hoe gebruik je dürfen en mögen?

Dürfen betekent mogen of toestemming hebben om iets te doen.

Mögen

Mögen betekent houden van, lusten of aardig vinden.

Dürfen

Ich darf nach Hause (ik mag naar huis)

Wir mögen Eis! (wij vinden ijs lekker)

En dan heb je nog können, wollen en wissen

können betekent in staat zijn of bij machte zijn, beheersen, kunnen.

wollen betekent willen (je staat erop dat...).

wollen

können

wissen

wissen betekent weten.

Ich kann laufen (ik kan lopen)

Ich will kochen! (ik wil koken!)

Ich weiß das. (ik weet dat)

Voorbeeldzinnen

Er soll lernen. – Hij moet leren.

Ich muß pinkeln. – Ik moet plassen.

Wir dürfen rausgehen. – Wij mogen naar buiten.

Sie mögen Pizza. – Zij lusten pizza.

Ihr könnt gehen. - Jullie kunnen gaan.

Sie wissen das. - U weet dat.

Du willst das Buch. - Jij wilt het boek.




Oefening: vertaal

Wat betekent het modale werkwoord in het NL?


1. Ich will ins Kino gehen. (wollen)

2. Wir dürfen nicht laut sein. (dürfen)

3. Du sollst mehr Gemüse essen. (sollen)

4. Sie mögen Schokolade. (mögen)

  1. Ich muss morgen früh aufstehen. (müssen)

  2. Er kann sehr schnell laufen. (können)

  3. Wir möchten ein Eis kaufen. (möchten)

  4. Ich weiß das Antwort. (wissen)

  5. Du darfst heute länger aufbleiben. (dürfen)

  6. Sie wollen am Wochenende schwimmen gehen. (wollen)

Jullie moeten naar school gaan

A

Ihr müßt zur Schule

B

Sie müssen zur Schule

C

Ihr sollt zur Schule

D

Du mußt zur Schule

Zij mogen winkelen

A

Sie wollen einkaufen

B

Sie können einkaufen

C

Sie mögen einkaufen

D

Sie dürfen einkaufen

Zij vindt taart lekker

A

Sie darf Kuchen

B

Sie mag Kuchen

C

Sie will Kuchen

D

Sie darf Kuchen

Du darfst eine Praline nehmen

A

Jij durft een bonbon te nemen

B

Je kan een bonbon pakken

C

Jij wilt een bonbon nemen

D

Je mag een bonbon nemen