Duitse modale werkwoorden: wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können und wissen
Duitse modale werkwoorden: wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können und wissen
Leerdoel
Aan het einde van deze les ken je de betekenis van de modale werkwoorden wollen, sollen, müssen, dürfen, mögen, können en wissen.
Daarna ga je de opdrachten uit de planner maken.
Wat zijn modale werkwoorden?
Modale werkwoorden veranderen de betekenis van het hoofdwerkwoord. Ze geven bijvoorbeeld toestemming, moeten of willen aan.
Wanneer gebruik je sollen en müssen?
müssen
sollen betekent dat je iets moet doen, een ander legt het op, bevel, dwang, op advies van iemand anders.
müssen betekent er valt nu eenmaal niets aan te doen, het moet nu eenmaal.
sollen
Du sollst gehen! (jij moet gaan!)
Ich muss zur Schule. (ik moet naar school)
Hoe gebruik je dürfen en mögen?
Dürfen betekent mogen of toestemming hebben om iets te doen.
Mögen
Mögen betekent houden van, lusten of aardig vinden.
Dürfen
Ich darf nach Hause (ik mag naar huis)
Wir mögen Eis! (wij vinden ijs lekker)
En dan heb je nog können, wollen en wissen
können betekent in staat zijn of bij machte zijn, beheersen, kunnen.
wollen betekent willen (je staat erop dat...).
wollen
können
wissen
wissen betekent weten.
Ich kann laufen (ik kan lopen)
Ich will kochen! (ik wil koken!)
Ich weiß das. (ik weet dat)
Voorbeeldzinnen
Er soll lernen. – Hij moet leren.
Ich muß pinkeln. – Ik moet plassen.
Wir dürfen rausgehen. – Wij mogen naar buiten.
Sie mögen Pizza. – Zij lusten pizza.
Ihr könnt gehen. - Jullie kunnen gaan.
Sie wissen das. - U weet dat.
Du willst das Buch. - Jij wilt het boek.
Oefening: vertaal
Wat betekent het modale werkwoord in het NL?
1. Ich will ins Kino gehen. (wollen)
2. Wir dürfen nicht laut sein. (dürfen)
3. Du sollst mehr Gemüse essen. (sollen)
4. Sie mögen Schokolade. (mögen)
Ich muss morgen früh aufstehen. (müssen)
Er kann sehr schnell laufen. (können)
Wir möchten ein Eis kaufen. (möchten)
Ich weiß das Antwort. (wissen)
Du darfst heute länger aufbleiben. (dürfen)
Sie wollen am Wochenende schwimmen gehen. (wollen)
Jullie moeten naar school gaan
Ihr müßt zur Schule
Sie müssen zur Schule
Ihr sollt zur Schule
Du mußt zur Schule
Zij mogen winkelen
Sie wollen einkaufen
Sie können einkaufen
Sie mögen einkaufen
Sie dürfen einkaufen
Zij vindt taart lekker
Sie darf Kuchen
Sie mag Kuchen
Sie will Kuchen
Sie darf Kuchen
Du darfst eine Praline nehmen
Jij durft een bonbon te nemen
Je kan een bonbon pakken
Jij wilt een bonbon nemen
Je mag een bonbon nemen