Oefenexamen VWO - Steden en burgers in de Lage Landen 1050-1700

Oefenexamen VWO — Geschiedenis

Steden en burgers in de Lage Landen 1050-1700 — 10 vragen — ca. 25 punten


1 / 12
next
Slide 1: Slide
New lesson editorGeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

Introduction

Deel dit oefenexamen met je leerlingen, zodat ze zich goed kunnen voorbereiden op hun examen. Delen van deze les gaat via de knop 'Delen'. Kies vervolgens voor 'Studenten (link)'. Hiermee hebben de leerlingen ook thuis de volledige interactie.

Items in this lesson

Oefenexamen VWO — Geschiedenis

Steden en burgers in de Lage Landen 1050-1700 — 10 vragen — ca. 25 punten


Opkomst stedelijke burgerij (1050-1302)

Vraag 1 (2p)

Bekijk de afbeelding van een middeleeuws marktplein.
Vanaf de 11e eeuw veranderde de landbouw in Europa en groeide de handel.
a) Leg uit hoe de opkomst van handel en ambacht leidde tot het ontstaan van steden. (1p)
b) Waarom bevochten stedelingen stadsrechten? Noem een concreet voordeel. (1p)

Vraag 2 (3p)

Bekijk de afbeelding van een middeleeuws marktplein.
Atrecht was het startpunt van stedelijke dynamiek in de Nederlanden.
a) Leg uit welke twee factoren Atrecht tot een belangrijk handelscentrum maakten. (1p)
b) Rond 1300 werd Atrecht overvleugeld door Vlaamse steden als Brugge. Leg uit waardoor. (1p)
c) Met de Guldensporenslag (1302) lieten Vlaamse ambachtslieden zien dat ze waren opgewassen tegen de adel. Leg uit welke spanning hierin tot uiting kwam. (1p)

Sociaaleconomische ontwikkelingen (1302-1602)

Vraag 3 (3p)

Rond 1300 vormden Vlaanderen en Brabant het economische zwaartepunt van de Nederlanden. Brugge was het handelscentrum.
a) Leg uit hoe Brugge zijn positie als handelscentrum versterkte. Noem twee innovaties. (1p)
b) Waarom verschoof het economische zwaartepunt in de 15e-16e eeuw naar Antwerpen? (1p)
c) In de 16e eeuw zetten de Habsburgse vorsten Karel V en Filips II de centralisatiepolitiek door. Leg uit waarom dit tot conflict leidde met de steden. (1p)

Vraag 4 (2p)

Na de Beeldenstorm (1566) en het harde optreden van Alva brak onder leiding van Willem van Oranje een opstand uit tegen het Spaanse gezag.
a) Leg uit waarom de Opstand in de praktijk een oorlog tegen steden was. (1p)
b) Welk gevolg had de Val van Antwerpen (1585) voor de noordelijke gewesten? (1p)

De Gouden Eeuw (1602-1700)

Vraag 5 (3p)

Bekijk de afbeelding van een historisch zeilschip.
In 1602 werd de VOC opgericht.
a) Leg uit hoe de Republiek zich ontwikkelde tot een handelsgrootmacht. Noem twee factoren. (2p)
b) Leg uit waarom de Republiek een bijzondere staatkundige positie had in vergelijking met omringende landen. (1p)

Vraag 6 (2p)

Bekijk de afbeelding van de Amsterdamse grachtengordel.
De grachtengordel is een symbool van de welvaart in de Gouden Eeuw.
a) Leg uit hoe rijke kooplieden hun status verhoogden. Noem twee manieren. (1p)
b) Waarom konden ook kooplieden van buitenlandse afkomst relatief snel opklimmen in de Republiek? (1p)

Vraag 7 (3p)

Na 1648 stabiliseerde de situatie in de omringende landen. Engeland en het absolutistische Frankrijk voerden een mercantilistisch beleid.
a) Leg uit wat mercantilisme inhield en waarom dit nadelig was voor de Republiek. (2p)
b) Leg uit welke interne spanning er in de Republiek bestond tussen regenten en het gemeen. (1p)

Vraag 8 (2p)

Het Rampjaar 1672 luidde het einde van de Gouden Eeuw in.
a) Leg uit waarom 1672 als 'rampjaar' wordt beschouwd. (1p)
b) Welk gevolg had dit voor de positie van de Republiek als wereldhandelsmacht? (1p)