Dag 7

Nieuwe woorden Thema 18
Nederland
1 / 17
next
Slide 1: Slide
ANT2+Middelbare schoolISKvmbo bLeerjaar 2

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Nieuwe woorden Thema 18
Nederland

Slide 1 - Slide

wandelen
  • rustig lopen
  • voor je plezier lopen
  • ww
  • Ik wandel - hij wandelt
  • zin: De toeristen wandelden door de stad.
  • zin: Veel collega's hebben de "Halve van Den Helder" gewandeld.
49

Slide 2 - Slide

het weer
  • de toestand buiten, bijvoorbeeld hoe warm of koud het is, of dat het regent of waait
  • zin: Het is mooi weer vandaag.
  • zin: Op de tv wordt slecht weer voor morgen voorspelt.
50

Slide 3 - Slide

weggaan
  • naar een andere plaats gaan
  • ww
  • Ik ga weg - Hij gaat weg
  • zin: Gisteren was Jan hier, maar vanmorgen is hij weggegaan.
  • zin: De wedstrijd is afgelopen, de supporters gaan nu weg.
51

Slide 4 - Slide

de winter
  • het koudste seizoen van het jaar.
  • de periode van 21 december tot 21 maart
  • zin: In de winter ligt er vaak sneeuw.
  • zin: In de winter blijf ik binnen en zet ik de kachel wat hoger.
52

Slide 5 - Slide

zeker
  • als iets zonder twijfel is
  • zin: Hij heeft het zeker gedaan.
  • zin: 1 ding is zeker, Ajax wordt dit jaar geen kampioen.
53

Slide 6 - Slide

de zomer
  • het warmste seizoen van het jaar.
  • de periode van 21 juni tot 21 september
  • zin: In de zomer zit ik graag in de achtertuin.
  • zin: In de zomer gaan wij vaak naar het strand.
54

Slide 7 - Slide

Verwerkingsvragen thema 18
Nederland

Slide 8 - Slide

Rustig lopen noemen wij?
A
rennen
B
sprinten
C
slenteren
D
wandelen

Slide 9 - Quiz

Wat voor weer is het vandaag?

Slide 10 - Mind map

Vervoeg het werkwoord 'weggaan'?

Slide 11 - Open question

Welk seizoen is het koudst?
A
de zomer
B
de lente
C
de herfst
D
de winter

Slide 12 - Quiz

Wanneer is de winter?

Slide 13 - Open question

Als iets zonder twijfel is.
A
misschien
B
onzeker
C
zeker

Slide 14 - Quiz

Er waren ...... 30 mensen. Geen twijfel mogelijk.
A
misschien
B
onzeker
C
zeker

Slide 15 - Quiz

Wanneer is de zomer?
A
van 20 juni tot 20 september
B
van 21 juni tot 21 september
C
van 20 juli tot 20 oktober
D
van 21 juli tot 21 oktober

Slide 16 - Quiz

Waar denk je aan bij het woord 'zomer'?

Slide 17 - Mind map