Unité 5

Unité 5
1 / 33
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

This lesson contains 33 slides, with text slides.

Items in this lesson

Unité 5

Slide 1 - Slide

La négation
De ontkenning
manuel § 14

Slide 2 - Slide

Les buts: 
Aan het eind van de les:
  • Weet je welke ontkenningen er zijn in het Frans
  • Weet je welke bijzonderheden er zijn. 


Slide 3 - Slide

La négation (1)
Regel: de ontkenning bestaat in het Frans altijd uit twee woorden. Je zet die woorden om de persoonsvorm heen.

De persoonsvorm is bijna altijd het eerste werkwoord in de zin. 

Slide 4 - Slide

La négation, la base (2)
Er zijn meerdere ontkenningen die je kunt maken: 
Je ne sais pas.
Je ne sais rien.
Je ne sais jamais.
Je ne sais plus. 
Je ne connais personne ici. 
Je ne connais aucun de ces mots.
niet
ne...pas
niets
ne...rien
nooit
ne...jamais
niet meer
ne... plus
niemand
ne...personne
geen enkel(e)
ne...aucun(e)
(noch) ... noch
ne ... ni ... ni

Slide 5 - Slide

La négation, la base (3)
Er zijn meerdere ontkenningen die je kunt maken: 
Je ne connais pas du tout ces mots. 
Je ne connais pas non plus ces mots. 
Je ne connais pas encore ces mots. 
Je ne vois plus jamais cette fille. 
Je ne connais que ce mot en français.
helemaal niet
ne...pas du tout
ook niet
ne...pas non plus
nog niet
ne...pas encore
nooit meer
ne...plus jamais
alleen maar
ne...que
nauwelijks
ne ... guère
nergens
ne ... nulle part

Slide 6 - Slide

La négation et les verbes pronominaux
Soms is de persoonsvorm een wederkerend werkwoord. Het wederkerende stukje komt dan tussen de ontkenning in, samen met de persoonsvorm. 

Voorbeeld: 
Je me lave tous les matins. Je ne me lave pas tous les matins. 
Je - me/m'<div>Tu - te/t'</div><div>il - se/s'</div><div>elle - se/s'</div><div>on - se/s'</div><div>nous - nous</div><div>vous - vous</div><div>ils/elles - se/s'</div>

Slide 7 - Slide

De na ontkenning
Na een ontkenning veranderen de lidwoorden un/une/des/du/de la en de l'  in de of d'
Voorbeeld: 
Je mange des pommes --> je ne mange pas de pommes.
Il a acheté du pain --> ll n'a jamais acheté de pain

Slide 8 - Slide

Uitzondering
BEHALVE ALS ER EEN VORM VAN HET WERKWOORD ÊTRE IN DE ZIN STAAT! 

Tu es un garçon? Non, je ne suis pas un garçon. 

Slide 9 - Slide

Personne/rien comme objet direct (ondw)
Soms is 'niemand' het onderwerp. In dat geval vertaal je dat als 'personne ne...'
Niemand weet dat ik Roderick heet. 
Personne ne sait que je m'appelle Roderick. 

Hetzelfde is mogelijk met 'niets'. Je vertaalt het dan als 'rien ne...'
Niets is moeilijk.
Rien n'est difficile. 

Slide 10 - Slide

Personne/rien comme objet indirect (lijd vw) 
Soms is 'niemand' het lijdend voorwerp. Je vertaalt het dan gewoon als 'ne...personne'.  Let op: ne komt voor de pv maar personne komt achter het hele gezegde ( alle w.w).
Ik heb niemand in deze kamer gesproken.
Je n'ai parlé à personne dans cette salle. 

Hetzelfde is mogelijk met 'niets'
Ik kan niets doen. 
Je ne peux rien faire. 

Slide 11 - Slide

 Ontkenning zonder werkwoorden
Als er geen werkwoord in de zin staat, vervalt ne

Tu n'aimes pas lire? Moi non plus
Il y a du monde? Non personne

Slide 12 - Slide

 Ontkenning noch...noch/ ook niet
In bepaalde gevallen worden meerdere elementen in een ontkennende zin bij elkaar geplaatst. In die zinnen kun je de ontkenning ne...ni....ni gebruiken. 

Elle ne veut ni regarder la télé ni faire un jeu.
Elle n'aime ni la viande ni le poisson

Slide 13 - Slide

Let op: als je een vraag beantwoordt, moet je sommige woorden die in de vragen staan niet in je antwoord opnieuw gebruiken 


- Déjà (al) = ne/n’ …. pas encore (nog niet)
- Quelque chose (iets) = ne/n’….. rien (niets)  - Tout (alles) = ne/n'.... rien (niets)
- Quelqu’un (iemand) = Ne/n’…. personne (niemand).
- Encore (nog) = ne/n’ … plus (niet meer) 
- Souvent (vaak / dikwijls) = ne/n’ …. jamais (nooit)
- Toujours (altijd) = = ne/n’ …. jamais (nooit) 
- Un (een) = Ne/n’ …. aucun(e) (geen enkel(e)
- Beaucoup (veel) = Ne/n’…. que (slechts / alleen maar) 

Non, je n’ai que deux robes. (Nee, ik heb slechts twee jurken)





Slide 14 - Slide

Dus:
Let bij het ontkennend maken van zinnen op of wat je hebt geschreven logisch is: lees je zinnen even goed na!

Slide 15 - Slide

Au travail:
Maak uit unité 5 grammaire 1
Afhankelijk van hoe goed je de stof beheerst bepaal je met welke opdracht je begint. 

Slide 16 - Slide

Vocabulaire
Les buts:
- kan ik woorden omschrijven
- heb ik de woorden van unité 4 geleerd. 

Slide 17 - Slide

décrire un mot / un objet ...........
Comment décrire au mieux un mot (p.e. un objet, une personne, un métier, un animal, un jeu, un verbe, une plante, un lieu etc.), quand on ne connaît pas le mot en français?
Beschrijf zoveel mogelijk aspecten van het woord:
- de vorm: carré, rond(e), petit(e), grand(e) etc. - het materiaal (en bois, en tissu, en plastique, en métal etc), de functie (bij een voorwerp: ça sert à, c'est pour..)
- het uiterlijk, wat doet hij/zij (bij een persoon: il/elle fait, travaille, parle etc.)
- het tegenovergestelde (ce n'est PAS ...., mais.... )
- waar lijkt het op (cela ressemble à....., c'est comme....)


Slide 18 - Slide

"delend lidwoord"
  1. Wat is een delend lidwoord in het Nederlands?
  2. Wat is het delend lidwoord in het Frans?
  3. Uit welke vormen bestaat het delend lidwoord?
  4. Wat krijg je na een woord van hoeveelheid?
  5. Wat krijg je na een ontkenning in de zin?

Slide 19 - Slide


L' article partitif = het delend lidwoord. Dit kennen we niet in het Nederlands.
Dus: Als er in het Nederlands geen lidwoord staat, dan gebruiken we in het Frans l'article partitif. 
De hoeveelheid is onbekend

Exemple:
Ik drink koffie      Je bois du café
Ik eet vlees           Je mange de la viande
Ik drink water      Je bois de l'eau
Ik eet tomaten    Je mange des tomates

Slide 20 - Slide

L'article partitif
But d'aujourd'hui:
- ik heb de ontkenning herhaald en ik weet waar ik nog aandacht aan moet besteden
- Ik weet wat een delend lidwoord is en
wanneer het gebruikt wordt
- Ik kan de overige lidwoorden juist toepassen 

Slide 21 - Slide

 Lidwoord
 = delend lidw.
de     +
 le 
 = du
de     +
 la 
 = de la
de     +
 l'
 = de l'
de     +
 les
 = des
Vertaald naar het Nederlands heeft het Delend Lidwoord geen betekenis.

Slide 22 - Slide

Na een woord van hoeveelheid of ontkenning:

De delende lidwoorden du/ de la/ de l'/ des veranderen in de/ d'

Il boit un verre d'eau.
Il mange beaucoup de bonbons.
Elle ne mange pas de pain.

Slide 23 - Slide

Woorden van hoeveelheid:
  • Beaucoup = veel
  • Assez = genoeg
  • Trop = te veel
  • Un peu = een beetje 
  • Un litre = een liter
  • Une bouteille = een fles
  • une part= een deel
  • un cuillère à soup= een soeplepel                                            etc.

Slide 24 - Slide

Let op:
Staat er een vorm van
- aimer
- adorer
- détester
- préférer 
in de zin, dan gebruik je daarna altijd le-la-l'-les.
Bv: J'aime le chocolat et je déteste les bananes.

Slide 25 - Slide

Stappenplan
  1. aimer-adorer-détester-préférer --> le-la-l'-les

  2. ontkenning of hoeveelheidswoord --> de-d'

  3. Geen van bovenstaande? --> du-de la-de l'-des 

Slide 26 - Slide

Stappenplan
  1. aimer-adorer-détester-préférer --> le-la-l'-les

  2. ontkenning of hoeveelheidswoord --> de-d'

  3. Geen van bovenstaande? --> du-de la-de l'-des 

Slide 27 - Slide

Au travail
maak grammaire 3 page 134, 135

Slide 28 - Slide

écrire
Lesdoelen:
Ik kan een bericht schrijven over een lastige situatie op school.

Faites: 1,2,3
en duo : 4.5

en duo: 6!
et après vous allez présenter le blog. 
timer
15:00

Slide 29 - Slide

Stap 1 - elke leerling krijgt een verschillende tekst
Er zijn vier leesteksten.

Stap 2 - je leest zelfstandig je eigen tekst en maakt de volgende leesopdrachten (10 min, zonder WB):
Formuleer de hoofdgedachte van de hele tekst (FR).
Noteer per alinea een kernzin (NL).
Onderstreep moeilijke woorden of zinnen ➡️ bespreken in stap 3.

Stap 3 - leerlingen met dezelfde tekst komen bij elkaar 
Samen de tekst bespreken ➡️ elkaar aanvullen.
Je komt samen achter de moeilijke woorden of zinnen
Maak een korte checkvraag die je straks in je oorspronkelijke groep gaat stellen.

Stap 4 - oorspronkelijke groepsgenoten worden ook experts ➡️ ACTIEF LUISTEREN
Ieder groepslid presenteert tekst. 
Leden luisteren en maken actief aantekeningen --> hoofdgedachte en kernzinnen opschrijven
Groepsleden controleren betrokkenheid door een korte checkvraag.

Stap 5 - vragen beantwoorden over de drie teksten (samen

Slide 30 - Slide

Beroepen
- maak ex 1 en 2 van écouter
- daarna doen we samen 5

Les devoirs:
lire van un 5, let op; voorbereiding voor toets. 

Slide 31 - Slide

Lire
lesdoel:
  • ik heb de vocabulaire geleerd van unité 5
  • ik heb geoefend met leesvaardigheid. 


maken:
  • puzzel, voca FA/NL
  • lire opdracht 4
  • vocaspel?

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide