Haben

NL
persoonlijk
voornaamwoord
sein
ik
ich
jij
hij/zij/het
ist
wij
jullie
zij/u
Neem de tabel over en vul de ontbrekende persoonlijke voornaamwoorden en vervoegingen van sein in.
1 / 15
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo, mavoLeerjaar 1,2

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

NL
persoonlijk
voornaamwoord
sein
ik
ich
jij
hij/zij/het
ist
wij
jullie
zij/u
Neem de tabel over en vul de ontbrekende persoonlijke voornaamwoorden en vervoegingen van sein in.

Slide 1 - Slide

NL
persoonlijk
voornaamwoord
sein
ik
ich
bin
jij
du
bist
hij/zij/het
er/sie/es
ist
wij
wir
sind
jullie
ihr
seid
zij/u
sie/Sie
sind
Neem de tabel over en vul de ontbrekende persoonlijke voornaamwoorden en vervoegingen van sein in.

Slide 2 - Slide

  1. Turf het aantal keer dat je 'Du hast' hoort.
  2. Waarover gaat het lied 'Du hast'?
  3. Wat betekent 'Du hast' (2)?

Slide 3 - Slide

haben
Leerdoel: Ik kan het werkwoord haben in het Duits vervoegen en in zinnen toepassen.

Slide 4 - Slide

het werkwoord haben (hebben)
NL
DE
ik heb
ich habe
jij hebt
du hast
hij/zij/het heeft
er/sie/es hat
wij hebben
wir haben
jullie hebben
ihr habt
zij/u hebben
sie/Sie haben

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

het werkwoord haben
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 7 - Drag question


du .........
A
habt
B
hast
C
hat
D
haben

Slide 8 - Quiz


ihr ...........
A
habt
B
hast
C
hat
D
haben

Slide 9 - Quiz

(haben) Peter

Slide 10 - Open question

(haben) Die Kinder ... Hunger.

Slide 11 - Open question

Jetzt geht's los
Maak opdracht 11, 12, 13 blz. 52 en 53 
Schrijf grammatica C haben blz. 52 1x over.

Klaar? Maak opdracht 23 blz 28 (Hulp: Woordenlijst G blz. 38)



Slide 12 - Slide

Evaluatie
Leerdoel: Ik kan het werkwoord haben  in het Duits vervoegen en in zinnen toepassen.
Vragen over het leerdoel?

  • Waar moet je naar kijken om de vervoeging te bepalen?
  • Wie kan de vervoegingen van haben al uit het hoofd?
  • Hoe verliep de les?

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

ch
u
r / sie / es
ir
hr
ie / Sie

Slide 15 - Slide