H4 Schrijven - Betoog schrijven

betoog schrijven
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

betoog schrijven

Slide 1 - Slide

H2 Lezen: argumentatie
H3 Lezen: tegenargumenten en weerleggingen
- Je leert een betoog schrijven.
- Je kan een betoog schrijven met een inleiding, middenstuk en slot.
Herhaling begrippen: betoog, standpunt, argumenten, tegenargumenten, weerlegging, signaalwoorden
Bouwplan gebruiken bij je schrijfopdracht
Nederlands H4 Schrijven, blz. 114-115
Oefenopdracht in LessonUp
Opdracht 1-2-3

Hoe ging het? 

Slide 2 - Slide

kenmerken goed betoog

Slide 3 - Mind map

Wat heb jij nog nodig om een goed betoog te kunnen schrijven?

Slide 4 - Open question

Betoog
Een betoog schrijf je als je anderen wilt overtuigen. Je schrijfdoel is overtuigen. 
Je kunt een betoog schrijven met een standpunt, argumenten, ondersteunende feiten en tegenargumenten. 
Daarbij verduidelijk je de structuur d.m.v. signaalwoorden.

Slide 5 - Slide

 in het kort
  • betoog: overtuigende tekst
  • standpunt: een houding die je aanneemt ten aanzien van een actueel vraagstuk.
  • argumenten: taaluitingen waarmee een schrijver zijn standpunt verdedigt tegen kritiek.
  • tegenargumenten: Met een tegenargument of een tegenwerping ontkracht je een standpunt of een argument, je maakt dat standpunt of argument minder aanvaardbaar.
  • weerlegging: Met een weerlegging ontkracht je een tegenargument

Slide 6 - Slide

opbouw betoog

  • inleiding: aandacht trekken + standpunt geven
  • middenstuk: -argumenten (per argument 1 alinea -> geef                                        feiten die het argument ondersteunen)                                           -tegenargument + weerlegging
  • slot: herhaling standpunt in andere woorden (+ uitsmijter)

Slide 7 - Slide

werkwijze betoog schrijven
  • onderwerp kiezen en informatie zoeken
  • bouwplan maken: blz. 264 
  • tekst schrijven: begin bij het middenstuk en gebruik voor elk argument een aparte alinea met feiten die het argument ondersteunen. 
  • Noem daarna de tegenargumenten: geef bij elk tegenargument direct een weerlegging, waarom het tegenargument niet klopt. Gebruik ook voor elk tegenargument één alinea.
  • inleiding schrijven: trek de aandacht van de lezer  en geef je standpunt
  • slot schrijven: je herhaalt je standpunt (= conclusie)  
  • witregels plaatsen: plaats in je betoog een witregel na elke alinea 

Slide 8 - Slide

de inleiding + slot
Twee functies van de inleiding zijn:
1. De aandacht van de lezer trekken  +
2. Het onderwerp introduceren.


Slide 9 - Slide

aandacht trekken door:
1. iets uit de actualiteit
2. iets uit de geschiedenis
3. een voorbeeld, zoals een kort verhaaltje of een eigen ervaring
4. iets wat voor de lezer van persoonlijk belang is

Slide 10 - Slide

onderwerp introduceren door:
  1. een hoofdvraag en eventueel deelvragen over een bepaald verschijnsel te stellen
  2. een probleem te formuleren d.m.v. probleemstelling
  3. een standpunt te geven

Slide 11 - Slide

slot
Je formuleert de hoofdgedachte van de tekst: 
  -het antwoord op de hoofdvraag
  -een oplossing voor het probleem 
  -een herhaling van je standpunt

Vaak is de hoofdgedachte een conclusie. Je kunt deze aanvullen met een aanbeveling of toekomstverwachting.

Slide 12 - Slide

slot
  • In het slot gebruik je signaalwoorden als:                                      daarom, kortom, al met al, dus

  • De tekst sluit je af met een krachtige zin: de uitsmijter.

Slide 13 - Slide

Tips voor een betoog
  • Standpunt aankondigen met 'Ik vind...' of 'Ik ben van mening dat...'
  • Introduceer een argument met signaalwoorden voor een opsomming
  • Gebruik bij de onderbouwing signaalwoorden voor argumenten
  • Kondig tegenargumenten aan met een structurerende zin: Er zijn ook mensen die bezwaren hebben tegen deze maatregel. 
  • Verbind tegenargumenten met signaalwoorden voor een opsomming.
  • Kondig weerleggingen aan met signaalwoorden voor een tegenstelling of toegeving
  • Herhaal in het slot je standpunt met een signaalwoord voor een conclusie
  
Signaalwoorden
Opsomming: om te beginnen, ten eerste, daarnaast, bovendien, verder, vervolgens of tenslotte
Argumenten: omdat, want, immers of namelijk 
Tegenstelling: toch, maar, echter, daar staat tegenover
Toegeving: hoewel, ook al, welswaar...maar, ofschoon
Conclusie: daarom, kortom, dus, al met al
 

Slide 14 - Slide

Stellingen: oefening
Je kiest één van deze stellingen/standpunten en gaat je publiek (de lezer) hiervan overtuigen:
  • Er moet een extra belasting komen op fastfood.
  • Alcoholproducten moeten twee keer zo duur worden.
  • Nederland moet meer gebruik maken van kernenergie.
  • Vuurwerk moet legaal blijven.
  • Alcoholreclames op tv moeten worden verboden.
  • Softdrugs moeten verkrijgbaar worden bij de apotheek.
  • Gewelddadige videogames moeten worden afgeschaft.
  • Iedereen moet verplicht orgaandonor worden.
  • Het openbaar vervoer moet gratis worden.
  • 's Nachts moeten lantaarnpalen worden uitgezet. 

Slide 15 - Slide

Stellingen: oefening
  • Benoem de stelling/het standpunt in je inleiding (aandacht trekken, onderwerp introduceren)
  • Geef minimaal 1 argument, 1 tegenargument en weerleg dit tegenargument
  • Argument staat in één alinea en het tegenargument met weerlegging in een ander alinea
  • Herhaal je standpunt in het slot (conclusie). Geef een aanbeveling/toekomstverwachting, uitsmijter

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

betoog schrijven

Slide 18 - Slide

Maken
Opdracht 1-2-3

blz. 114-115

Slide 19 - Slide