2h6, Mercredi, le 20 novembre 2019 description d'une personne

Programme du cours, Mercredi, le 20 novembre 2019
Présents/absents
Objectifs :jij kent het werkwoord vouloir au présent et passé composé + jij kan  le passé composé gebruiken, jij kan vragen in het Frans stellen
Questions/réponses 
Le verbe vouloir (rappel)
Rappel du passé composé
Poser des questions= vragen zonder en met een vraagwoord in het Frans stellen
Devoirs: apprendre le vocabulaire E(Herhaal AB) + le verbe vouloir+ faire les exercices 13 14 15 
Description d'une personne

1 / 16
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Programme du cours, Mercredi, le 20 novembre 2019
Présents/absents
Objectifs :jij kent het werkwoord vouloir au présent et passé composé + jij kan  le passé composé gebruiken, jij kan vragen in het Frans stellen
Questions/réponses 
Le verbe vouloir (rappel)
Rappel du passé composé
Poser des questions= vragen zonder en met een vraagwoord in het Frans stellen
Devoirs: apprendre le vocabulaire E(Herhaal AB) + le verbe vouloir+ faire les exercices 13 14 15 
Description d'une personne

Slide 1 - Slide

Questions / Réponses
Tu as passé un bon weekend ?
Tu as fait du sport ? 
Tu as fait du shopping ?
Tu as appris tes leçons ?
Tu as fait tes devoirs ?

timer
3:00

Slide 2 - Slide

le verbe "vouloir"

Présent                                               Passé composé

Je veux                                              J'ai voulu

Tu veux                                              Tu as voulu

Il/elle/on veut                                  Il/elle/on a voulu

Nous voulons                                  Nous avons voulu

Vous voulez                                     Vous avez voulu

Ils/elles veulent                             Ils/elles ont voulu

Slide 3 - Slide


Question:

 On forme le passé composé comment? (3 ÉLÉMENTS)

Slide 4 - Slide

Poser des questions
Tu as un chien?
As-tu un chien?
Est-ce que tu as un chien?

       Wat valt je op? / Wat zou de regel zijn?               

Slide 5 - Slide

Poser des questions
Quelles sont les 3 manières de poser des questions ?
Fais l'exercice 13 
Correction

Slide 6 - Slide

Poser des questions

Op welke 3 manieren maak je zinnen vragend in het Frans (zonder vraagwoorden)?

1.


2.


3.


Slide 7 - Slide

Welke 10 vraagwoorden ken je al?
timer
1:00

Slide 8 - Slide

Vraagwoorden


Wat =Qu'est-ce que   (niet te verwarren met est-ce que wat in het Nederlands geen vertaling heeft)
Wie=Qui
Wanneer=Quand
Waar=
Hoe=Comment
Waarom=Pourquoi 
Hoeveel = Combien (de)

Slide 9 - Slide

La phrase interrogative - de vraagwoorden

. Hoe laat ?          : A quelle heure
. Hoe oud?          : Quel âge

Slide 10 - Slide

CH 2 bron C: poser une question 

Met vraagwoord:
Welke vraagwoorden zijn er?
- où                          waar
- quand                  wanneer
- comment           hoe 
- qui                         wie


1. Onderwerp+ PV+ vraagwoord  ?
BV: Tu habites où?

2. Vraagwoord + est-ce que + Onderwerp+ PV+?
BV: Où est-ce que tu habites?

3. Vraagwoord + inversie + Onderwerp + PV + ?
BV: Où habites-tu?

Slide 11 - Slide

Vraagwoord POURQUOI
Er zijn 4 manieren:
- pourquoi tu fais du foot ?
- pourquoi est-ce que tu fais du foot ?
- pourquoi fais-tu du foot ?
- Tu fais du foot, pourquoi ?

Fais les exercices 14 15 + correction 

Slide 12 - Slide

Devoirs 
Faire flitscards chapitre 2  vocabulaire E p42
Exercices 14 15
Description d'une personne
Apprendre vocabulaire ABE

Slide 13 - Slide

Description d'une personne

Slide 14 - Slide

Rol 1 
Zoek een klasgenoot met rol 2. Jij begint het gesprek.
Stel de volgende vragen in het Frans:
1. Vraag hoe de ander heet.
2. Vraag hoe oud hij/zij is.
3. Vraag of hij/zij een afspraak heeft.
4. Vraag hoe de persoon van het afspraakje heet.
5. Vraag hij hij/zij eruit ziet.
6. Vraag of ze vaak samen zijn.
7. Vraag waar ze elkaar ontmoet hebben.
8. Vraag wanneer de afspraak is en waar.
9. Sluit het gesprek af.

Slide 15 - Slide

Rol 2 
Zoek een klasgenoot met rol 1. De ander begint het gesprek.
Geef de volgende antwoorden in het Frans:
1. Vertel hoe je heet.
2. Vertel hoe oud je bent.
3. Zeg dat je een afspraak hebt met een vriend/vriendin.
4. Zeg hoe de persoon van je afspraak heet.
5. Vertel hoe hij/zij eruit ziet.
6. Vertel dat jullie vaak samen zijn.
7. Vertel waar jullie elkaar ontmoet hebben.
8. Vertel wanneer de afspraak is en waar.
9. Reageer op de ander.

Slide 16 - Slide