week 13

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer?
  • noticias
  • preposiciones
  • verbos regulares (ar-er-ir)
  • estar
  • A DE EN
Semana 13
1 / 19
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 19 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

¡Hola!
¿Qué vamos a hacer?
  • noticias
  • preposiciones
  • verbos regulares (ar-er-ir)
  • estar
  • A DE EN
Semana 13

Slide 1 - Slide

Leerdoelen

  • Ik ken nieuwe Spaanse woordjes.
  • Ik weet hoe ik een Spaanse zin opbouw.
  • Ik ken de voorzetsels.
  • Ik kan de regelmatige werkwoorden vervoegen.
  • Ik kan estar vervoegen en gebruiken

Slide 2 - Slide

standaardzinnen
zinsopbouw

Slide 3 - Slide

Estar
Estar = zijn , zich bevinden

Yo
Él/ella/usted
Nosotros
Vosotros
Ellos/ellas/ustedes
estoy
estás
está
estamos
estáis
están
sala de estar
emociones

Slide 4 - Slide

Estar
Estar betekent ook 'zich bevinden'.
Estar zegt iets over de toestand van iemand. 
Je gebruikt estar bij plaatsbepalingen.

Bijvoorbeeld: 
Ik ben hier. - Estoy aquí.

Slide 5 - Slide

Werkblad
Pak je librito en maak OPDR A TM D van het werkblad.
Gebruik de woorden uit blok 1 TM4 en de grammatica van p. 22-24

Slide 6 - Slide

Vertaal de volgende zinnen
  • Een beer en een giraf spelen op het platteland 
  • Wij gaan met de auto naar de ingang.
  • De bus staat links van de trein.
  • De motor staat naast de auto.
  • De metro staat achter de fiets
  • De boot nemen is veilig.
  •  De vervoersmiddelen zijn praktisch.
  • Ik neem het vliegtuig naar Madrid. 
Pak je librito en vertaal de volgende zinnen naar het Spaans. 
Gebruik de woorden uit blok 1 TM4 en de grammatica van p. 22-24

Slide 7 - Slide

Argumentar
https://www.spanjevandaag.com/23/03/2025/nieuwe-wet-voedselverspilling-terugdringen-spanje/

Slide 8 - Slide

Los deberes
L: woorden blok 1, 2 en 3
regelmatige werkwoorden -ar,-er,-ir 
Estar
A,DE en EN
Maak:
 LA: OPDR. 2 p.106
LE: 6.21 + 6.28 + 6.29




Slide 9 - Slide

Los deberes
L: woorden blok 1, 2 en 3
regelmatige werkwoorden -ar,-er,-ir 
LA: p. 103 OPDR. 5, p. 104 OPDR 1TM 4, p. 105  OPDR 7 
LE: ej. 6.1 TM  6.7 , 6.9, 6.10,  6.18



Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Leerdoel
  • Ik kan de regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegen

Waarom is dit belangrijk dat ik dat kan?
  • Om te weten wie of over wie er gesproken wordt, op welk tijdstip het gesproken wordt en of de actie al gebeurd is, nu gebeurt of gaat gebeuren. 
  • Het persoonlijk voornaamwoord kun je in het Spaans weglaten voor een vervoegde vorm van een werkwoord.

Slide 14 - Slide

verbos regulares
yo
él, ella, usted
nosotros/as
vosotros/as
ellos, ellas, ustedes
hablar
hablo
hablas
habla
hablamos
habláis
hablan
comer
como
comes
come
comemos
coméis
comen
vivir
vivo
vives
vive
vivimos
vivís
viven
praten
eten
wonen/leven
Leerdoel: werkwoorden
librito p. 21-22

Slide 15 - Slide

Stappen om te vervoegen
  • Elke werkwoord in het Spaans heeft een familie: -ar -er of -ir
  • Vind de stam door -ar, -er of -ir eraf te halen
  • plaats de bijbehorende uitgang achter de stam
Maak werkblad 1 TM 4

Slide 16 - Slide

El presente: verbos regulares
Pak je librito en maak OPDR 1 TM 4 van het werkblad.
Gebruik de grammatica van p. 22-24

Slide 17 - Slide

Blooket

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Link