22/9, hyperbool, eufemisme, understatement

Stijl: hyperbool, eufemisme, understatement
BS:
maatschap-pelijke vraagstukken

diversiteits-bewustzijn
BS:

taal
- lezen
- schrijven

1 / 38
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Stijl: hyperbool, eufemisme, understatement
BS:
maatschap-pelijke vraagstukken

diversiteits-bewustzijn
BS:

taal
- lezen
- schrijven

Slide 1 - Slide

planning les:

1. huiswerk bespreken

2. HH § 1 van cursus 4: we maken opdracht 3 

3. theorie §2 stijl

4. maken §2 opdracht 1 t/m 3

5. afronden

leerdoelen:

1. Je kunt de stijlfiguren eufemisme en understatement herkennen;

2. Je kunt de stijlfiguren hyperbool, sarcasme en ironie herkennen.

Slide 2 - Slide

ironie

- milde spot
- het tegenovergestelde zeggen van wat je bedoelt

VB: 
'prachtig weer' --> tijdens een storm

sarcasme

- bijtende spot
- scherper van toon
- bedoeld om iemand te kwetsen

VB:
'Je moet vooral zo doorwerken, dan kom je er wel' --> naar leerling die niets doet

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Uitleg stijlmiddelen
Wat zijn stijlmiddelen en wanneer gebruik je die?
- manieren om je tekst kleurrijker te maken. 

Je gebruikt ze om je boodschap beter over te brengen:
1. het wordt beter onthouden 
2. het maakt het krachtiger. 
3. Soms ontstaat daar ook humor door.

Slide 5 - Slide

Hyperbool
  •  schrijver gebruikt bepaalde woorden, zodat ze versterkt of   verzwakt worden.
  •  bij een hyperbool-> de werkelijkheid wordt overdreven
  •  hyperbool heeft humoristisch effect
  •  hyperbolen zijn vaak uitdrukkingen

Slide 6 - Slide

Lesdoelen
Aan het einde van de les: 
- weet je wat de volgende stijlmiddelen zijn: hyperbool en eufemisme
- kun je deze stijlmiddelen herkennen
- weet je wanneer je deze stijlmiddelen kunt toepassen in je eigen teksten

Slide 7 - Slide

Stijlfiguren: hyperbool

Als je overdrijft, gebruik je een hyperbool.


Je zegt: 'Hij barst van het geld';

je bedoelt: 'Hij is rijk'.

Slide 8 - Slide

Wat zijn de hyperbolen?
  1. Ik schaamde me dood toe hij dat zei.
  2. Ik heb me kapot gelachen om die grap.
  3. Ik sterf onderhand van de dorst.
  4. Peter stikte van de lach.
  5. Frits wordt gek van de jeuk.
  6. Ik vries mijn billen er nog af, zo koud is het hier.

Slide 9 - Slide

Opdrachtje
1. Bedenk drie hyperbolen 

2. Zet erbij waarom het een hyperbool is.

Je krijgt hier twee minuten voor.
timer
2:00

Slide 10 - Slide

Eufemisme
Een verzachtende uitdrukking-> niet spottend bedoeld 
  • voorkomen dat een mededeling hard of onaangenaam overkomt
  • bepaalde zaken fraaier over laten komen
  • DUS: op een verzachtende manier of nette manier onder woorden brengen van iets wat niet zo prettig of netjes is





Slide 11 - Slide

voorbeelden eufemisme
  • Na een lange lijdensweg ging hij heen. 
  • Volgens mij is er aan jou een steekje los! 
  • De examinator heeft onzorgvuldig gehandeld. 
  • Gisteren hebben we opa naar zijn laatste rustplaats gebracht.
  • Zij werkt daar als interieurverzorgster.
  • 'Hoe is het met uw stoelgang?', informeerde de dokter.
  • De dierenarts heeft de hond laten inslapen. 
  • De directie wil het personeelsbestand afslanken. 

Slide 12 - Slide

Wat zijn de eufemismen?
  1. Wij hebben helaas onze hond moeten laten inslapen.
  2. Zij hebben de liefde bedreven.
  3. Hij heeft haast, want hij moet een grote boodschap.
  4. Op dit moment is hij werkzoekend.

Slide 13 - Slide

braken
sterven
inbreker
afmaken van vee
spam
ontslaan
vomeren
laten gaan
ongewenste bezoeker
ruimen
E-mailmarketing
laten gaan

Slide 14 - Drag question

Bedenk bij de volgende 
woorden/woordcombinaties een eufemisme.
- doodgaan
- plassen
- werkloos
- ziek
- kerkhof
- leugenaar

Je krijgt hier drie minuten voor.
timer
3:00

Slide 15 - Slide

Understatement

Slide 16 - Slide

Opdrachtje
Schrijf voor jezelf in je eigen woorden op wat de volgende stijfiguren zijn:
  • Hyperbool
  • Eufemisme
  • Understatement 
Geef hierbij telkens twee voorbeelden om het te verduidelijken. 

Slide 17 - Slide

Welke twee stijlfiguren?
In een loodzware race bij temperaturen onder het vriespunt wist Michiel het Nederlands kampioenschap veldrijden onder 18 te winnen. Na de wedstrijd werd hij geïnterviewd: "Niet slecht", was zijn antwoord.

Slide 18 - Open question


spuugzat
A
overdrijving (hyperbool)
B
eufemisme

Slide 19 - Quiz


verzuipen
A
overdrijving (hyperbool)
B
eufemisme

Slide 20 - Quiz


onaangenaam verrast
A
overdrijving (hyperbool)
B
eufemisme

Slide 21 - Quiz


een verschrikkelijke bende
A
overdrijving (hyperbool)
B
eufemisme

Slide 22 - Quiz


lachten zich een breuk
A
overdrijving (hyperbool)
B
eufemisme

Slide 23 - Quiz


met de tong uit de mond
A
overdrijving (hyperbool)
B
eufemisme

Slide 24 - Quiz

De dierenarts heeft onze hond laten inslapen.
_________
A
eufemisme
B
hyperbool

Slide 25 - Quiz

Ik WORD KNETTERGEK van je gezeur.
A
hyperbool
B
eufemisme

Slide 26 - Quiz

Vannacht hebben onze buren ongewenst bezoek gehad.
__________________________
A
eufemisme
B
hyperbool

Slide 27 - Quiz

Na een lange lijdensweg, ging hij heen.
_____
______
A
eufemisme
B
hyperbool

Slide 28 - Quiz

Een deel van het personeel zal moeten AFVLOEIEN.
A
hyberbool
B
eufemisme

Slide 29 - Quiz

Wat is een understatement?
A
Een beeldspraak waarbij je beeld gebruikt
B
Een stijlfiguur waarbij je bewust iets extra sterk uitdrukt
C
Een stijlfiguur waarbij je iets bewust minder sterk uitdrukt
D
Een stijlfiguur waarbij je meerdere dingen opsomt achter elkaar

Slide 30 - Quiz

Hyperbool of understatement?
A
Understatement: Ze was een tikje vermoeid na het lopen van de marathon.
B
Hyperbool: Ze was een tikje vermoeid na het lopen van de marathon.

Slide 31 - Quiz

Het tegenovergestelde van een understatement is een...
A
Retorische vraag
B
Hyperbool
C
Woordspeling
D
Neologisme

Slide 32 - Quiz

Een schrijver gebruikt een understatement om ....
A
iets extra op te laten vallen.
B
iets minder erg te maken.
C
een grapje te maken.

Slide 33 - Quiz

In welke zin zit een understatement?
A
Je hebt een tien, geweldig!
B
Toen Jan een schrammetje op zijn vinger had, zei zijn broer: "Nou nou, als je maar niet doodbloedt!"
C
Toen oma was overleden zei opa dat ze teruggegeven was aan het universum.
D
Toen Lara een 1 had voor haar proefwerk, zei de leraar: "Het kon beter."

Slide 34 - Quiz

Wat is het verschil tussen een understatement en een eufemisme?

Slide 35 - Open question

Hierna volgt een filmpje over alle stijlfiguren! 

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Video

huiswerk:

maandag 29 september:

maken cursus 4
§2 opdracht 1 t/m 3
§3 opdracht 1

leren cursus 4
§1 t/m 3 begrippen


leerdoelen:

1. Je kunt de stijlfiguren eufemisme en understatement herkennen;

2. Je kunt de stijlfiguren hyperbool, sarcasme en ironie herkennen.

Slide 38 - Slide