thema 5 Word een Werkwoordspecialist!

Word een Werkwoordspecialist!

1 / 38
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalPrimary EducationAge 11

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 20 min

Items in this lesson

Word een Werkwoordspecialist!

Wat weet je al over werkwoordsvormen?

Leerdoel

  • Aan het einde van de les kun je werkwoorden in verschillende vormen herkennen, juist toepassen en uitleggen wat ze betekenen.

Wat zijn werkwoordsvormen?

We leren vandaag: - Tegenwoordige tijd - Verleden tijd - Voltooid deelwoord - Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord - Tegenwoordig deelwoord

Maak kennis met de basis van werkwoorden!

De basis: de stam gebruiken

  • Pak het hele werkwoord, haal -en eraf en je hebt de stam.

  • De stam gebruik je voor bijna alle werkwoordsvormen.

  • Bijvoorbeeld: verwoesten → verwoest.

Wat is de stam van 'werken'?

A

werkt

B

werk

C

werkte

D

werken

Welke vorm gebruik je met de stam?

A

verwoestte

B

verwoesten

C

verwoest

D

verwoesting

Wat haal je van een werkwoord af?

A

-ing

B

-de

C

-t

D

-en

Is 'verwoesting' een stamvorm?

A

nee

B

mogelijk

C

ja

D

soms

Tegenwoordige tijd

  • Regel: stam + t (bij hij/zij/het).

  • Voorbeeld: Hij beheerst de stof goed.

  • Let op: stam op -t? Geen extra t erbij!

  • Bijvoorbeeld: Het boek bevat veel plaatjes.

Wat is de juiste vorm van 'werken' bij hij?

A

Hij werk hard aan zijn project.

B

Hij werkt hard aan zijn project.

C

Hij werkend hard aan zijn project.

D

Hij werken hard aan zijn project.

Hoe schrijf je 'fietsen' bij zij?

A

Zij fietst elke zondag samen.

B

Zij fietsen elke zondag samen.

C

Zij fietsend elke zondag samen.

D

Zij fiets elke zondag samen.

Wat is de juiste vorm van 'leiden' bij het?

A

Het leidend tot nieuwe inzichten.

B

Het leid tot nieuwe inzichten.

C

Het leiden tot nieuwe inzichten.

D

Het leidt tot nieuwe inzichten.

Hoe schrijf je 'beheren' bij hij?

A

Hij beheert de organisatie goed.

B

Hij beheer de organisatie goed.

C

Hij beheertend de organisatie goed.

D

Hij beheerd de organisatie goed.

Wat is de juiste vorm van 'bevatten' bij het?

A

Het bevat veel informatie.

B

Het bevalt veel informatie.

C

Het bevatte veel informatie.

D

Het bevatend veel informatie.

Verleden tijd: 't kofschip x

  • Stam eindigt op t, k, f, s, ch, p of x?

  • Gebruik stam + te.

  • Anders stam + de. Voorbeeld: verwoestte, bespiedde.

Wat is de verleden tijd van 'werken'?

A

werkte

B

werktee

C

werkteer

D

werkteen

Hoe schrijf je de verleden tijd van 'spelen'?

A

speelden

B

speelde

C

speeldde

D

speeltte

Wat is de verleden tijd van 'lopen'?

A

looppte

B

looptde

C

loopte

D

liep

Hoe schrijf je de verleden tijd van 'fietsen'?

A

fietste

B

fietstte

C

fietstde

D

fietzende

Wat is de verleden tijd van 'verven'?

A

verfde

B

vervened

C

verftde

D

verventte

Het voltooid deelwoord

  • Gebruik een hulpwerkwoord zoals hebben/zijn.

  • Ook hier check je 't kofschip x: eindigt het op een d of t

  • Voorbeeld: De film is verfilmd.

Wat is het voltooid deelwoord van 'film'?

A

filmde

B

verfilmen

C

films

D

verfilmd

Welk hulpwerkwoord gebruik je bij 'zijn'?

A

maken

B

hebben

C

zijn

D

doen

Hoe controleer je de spelling?

A

met 't kofschip

B

met 't bosje

C

met 't schip

D

met 't kofhuis

Wat is het voltooid deelwoord van 'werken'?

A

werkzaam

B

werkend

C

gewerkt

D

werkte

Is 'gereden' een voltooid deelwoord?

A

misschien

B

nee

C

soms

D

ja

Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord

  • Staat vóór een zelfstandig naamwoord.

  • Schrijf zo kort mogelijk!

  • Voorbeelden: de verwoeste stad, de ontspoorde trein.

Wat is een voorbeeld van een bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord?

A

de verwoeste stad

B

de ontspoorde trein

C

de stad verwoest

D

de trein ontsporen

Waar staat het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord?

A

In een zin zonder zelfstandig naamwoord

B

Achter een werkwoord

C

Vóór een zelfstandig naamwoord

Wat is het juiste gebruik?

A

de verloren tijd

B

verloren de tijd

C

de tijd verloren

Is dit juist: de geslaagde student?

A

Ja, dat is onjuist.

B

Nee, dat is fout.

C

Ja, dat is correct.

Tegenwoordig deelwoord

  • Hele werkwoord + d.

  • Geeft aan dat iets nu gebeurt.

  • Voorbeelden: Oplettend, afleidend.

Wat geeft het tegenwoordig deelwoord aan?

A

Iets zal gebeuren

B

Iets gebeurt nu

C

Iets gebeurde in het verleden

D

Iets is altijd waar

Hoe vorm je het tegenwoordig deelwoord?

A

Hele werkwoord + ing

B

Hele werkwoord + ed

C

Hele werkwoord + t

D

Hele werkwoord + d

Wat is een voorbeeld van een tegenwoordig deelwoord?

A

Oplettend

B

Opletten

C

Oplettenst

D

Oplettendheid

Wat betekent 'afleidend'?

A

Het leidt altijd af

B

Het leidt toe

C

Het leidt af

D

Het leidt niet af

Is 'schrijvend' een tegenwoordig deelwoord?

A

Nee, het is een bijvoeglijk naamwoord

B

Nee, het is een zelfstandig naamwoord

C

Nee, het is verleden tijd

D

Ja, het is tegenwoordig