Lezen A2 - Arts p 1-2 - Rijke teksten voor OKAN

Lezen A2 - Arts - Rijke teksten voor OKAN
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NT2Secundair onderwijs

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Lezen A2 - Arts - Rijke teksten voor OKAN

Slide 1 - Slide

Fee is een meisje. Hoe weet je dat? Waar zie je dat in de tekst?

Slide 2 - Open question

Wat bedoelt Fee met "Ik krijg vaak een tien van de juf."
A
Ik krijg vaak 10 euro van de leraar.
B
Ik krijg vaak een "high five" van de leraar.
C
Ik haal goede punten op mijn toetsen

Slide 3 - Quiz

Over welke familieleden vertelt Fee?
A
over haar broertje, mama, papa, oma en opa
B
over haar grote broer, mama, papa en opa
C
over haar broer, mama, papa, tante en nonkel

Slide 4 - Quiz

Hoe heet het broertje van Fee?

Slide 5 - Open question

Fee is 2 keer zo oud als Sim?
A
juist
B
fout

Slide 6 - Quiz

Wat bedoelt Fee met "Ik kan geen bloed zien!"
A
Ik ben blind.
B
Ik ben bang van bloed.
C
Ik kan de kleur rood niet zien.

Slide 7 - Quiz

Wie zegt deze zin?
"Fee is zo slim!"
A
papa
B
de juf
C
mama
D
Sim

Slide 8 - Quiz

Wie zegt deze zin?
"Doe niet zo raar!"
A
papa
B
Fee
C
mama
D
Sim

Slide 9 - Quiz

Wie stelt deze vraag?
"Ben jij dan blind?"
A
papa
B
de juf
C
mama
D
Sim

Slide 10 - Quiz

Wie zegt deze zin?
"Als ik bloed zie, dan voel ik me niet goed."
A
papa
B
Fee
C
mama
D
Sim

Slide 11 - Quiz

Een arts is iemand die
A
lesgeeft
B
zieke mensen helpen
C
auto's maakt

Slide 12 - Quiz

"Ik snap het" betekent ...
A
Ik begrijp het.
B
Ik ben bang.
C
Ik ben boos.
D
Ik zie het.

Slide 13 - Quiz

"eng" betekent ...
A
leuk
B
grappig
C
het maakt me bang
D
het maakt me blij

Slide 14 - Quiz

Ik ben "trots" als
A
ik iets goed heb gedaan.
B
ik honger heb
C
ik boos ben
D
ik moe ben

Slide 15 - Quiz

Wie is slim?
A
B
C
D

Slide 16 - Quiz

Welke zin met het werkwoord "uitleggen" is correct?
A
Mevrouw Ellen legt de jas uit de kapstok.
B
Meneer Bram legt de oefening uit.
C
Mevrouw Lisa legt haar haar uit.
D
Mevrouw Laura legt de deur uit.

Slide 17 - Quiz

Welke zin met het werkwoord "snijden" is correct?
A
Ik snijd mijn agenda in mijn boekentas.
B
Ik snijd mijn kleren elke dag.
C
Ik snijd met de fiets.
D
Ik snijd de pizza in 8delen.

Slide 18 - Quiz

En wat vind jij "eng"?

Slide 19 - Mind map