zinnen maken met uitleg
zinnen maken met uitleg
Maak een goede zin over de foto.
Schrijf een goede zin over deze persoon.
Zayd komt naar de klas.
Er is bloed aan haar vinger.
Wat ga je doen?
Je hebt koorts en je hebt keelpijn.
Wat moet je doen?
Jouw buurvrouw vraagt of je wil helpen met verhuizen.
Maar je hebt rugpijn.
Stuur een bericht dat je niet kan helpen.
Je hebt een afspraak met jouw assistent.
Er is staking en de bussen rijden niet.
Schrijf een bericht dat je later zal zijn omdat je te voet moet komen.