This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Herhaling vraag en aanbod
Slide 1 - Slide
KOPER
VERKOPER
Consument
producent
Vrager
aanbieder
Slide 2 - Drag question
Sofie en Ann kopen een Iphone in de Mediamarkt.
VRAGER
AANBIEDER
MARKT
Ann en Sofie
Iphone
Mediamarkt
Slide 3 - Drag question
De ............................................ is het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product.
De .......................................... op de goederen- en dienstenmarkt komt van de koper, het .............................. komt van de verkoper (producent of handelaar).
vraag
aanbod
markt
Slide 4 - Drag question
Lees onderstaande tekst over Jozefien
Slide 5 - Slide
Hoe duurder de smoothies zijn, hoe minder de gevraagde hoeveelheid ernaar zal zijn.
A
juist
B
fout
Slide 6 - Quiz
De vraagcurve wordt gevormd door
A
de consument
B
de aanbieder
C
de producent
D
de koper
Slide 7 - Quiz
Hoeveel paar sneakers zal Jolien willen kopen bij 70,00 euro?
A
3
B
4
C
5
D
6
Slide 8 - Quiz
Welke zin klopt bij het punt: p = 70,00 qv = 4
A
Bij een prijs van 70,00 euro per paar, zullen 4 klanten sneakers kopen
B
Bij een prijs van 4,00 euro, zullen 70 paar schoenen verkocht worden.
C
Jolien zal 4 sneakers kopen voor een totaalprijs van 70,00 euro
D
Voor de prijs van 70,00 euro per paar, zal Jolien 4 paar sneakers vragen.
Slide 9 - Quiz
De vraag naar sneakers kent een dalend verloop
A
juist
B
fout
Slide 10 - Quiz
qv staat voor:
A
de vraag
B
de aangeboden hoeveelheid
C
het aanbod
D
de gevraagde hoeveelheid
Slide 11 - Quiz
De ............................................. geeft weer welke hoeveelheid de koper bereid is te kopen tegen verschillende prijzen.
De .......................................... laat grafisch zien welke hoeveelheden een koper bereid is te kopen bij uiteenlopende prijzen.
De vraagcurve verloopt ...................................., want:
■ als de prijs stijgt, dan ............................... de gevraagde hoeveelheid;
■ als de prijs daalt, dan ................................ de gevraagde hoeveelheid.
Er is dus een negatief verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid.
daalt
vraagcurve
vraag
dalend
stijgt
Slide 12 - Drag question
evenwichtsprijs
evenwichtshoeveelheid
vraag
prijs
hoeveelheid
p
qe
pe
q
V
Slide 13 - Drag question
p
q
V
A
pe
qe
Slide 14 - Drag question
OEFENINGEN
In de media start een grote reclamecampagne voor appels.
Slide 15 - Slide
Dit zorgt voor een wijziging van
A
vraag
B
aanbod
Slide 16 - Quiz
De vraag zal
A
stijgen
B
dalen
Slide 17 - Quiz
De vistoevoer naar ons land loopt stroef. Sommige vissoorten zijn bijna dubbel zo duur.
Slide 18 - Slide
Dit zorgt voor een wijziging van
A
vraag
B
aanbod
Slide 19 - Quiz
Het aanbod zal
A
stijgen
B
dalen
Slide 20 - Quiz
De aanbodcurve verschuift naar
A
links
B
rechts
C
boven
D
onder
Slide 21 - Quiz
Belgen verdienen meer en kopen daarom meer multimedia.
Slide 22 - Slide
Dit zorgt voor een wijziging van
A
vraag
B
aanbod
Slide 23 - Quiz
De vraag zal
A
stijgen
B
dalen
Slide 24 - Quiz
De vraagcurve verschuift naar
A
links
B
rechts
C
boven
D
onder
Slide 25 - Quiz
A
Stijging van het aanbod
B
Stijging van de vraag
C
Daling van het aanbod
D
Daling van de vraag
Slide 26 - Quiz
A
Stijging van het aanbod
B
Stijging van de vraag
C
Daling van het aanbod
D
Daling van de vraag
Slide 27 - Quiz
Lionel Messi, een voetballer, is veranderd van voetbalschoenen. Hij speelt nu met Nike-schoenen. Fans vinden dit fantastisch en willen dezelfde schoenen.
A
Stijging van het aanbod
B
Stijging van de vraag
C
Daling van het aanbod
D
Daling van de vraag
Slide 28 - Quiz
Dit jaar zijn er verschillende kledingproducenten failliet gegaan.
A
Stijging van het aanbod
B
Stijging van de vraag
C
Daling van het aanbod
D
Daling van de vraag
Slide 29 - Quiz
Op televisie zie je dagelijks reclame voor LU Prince-koekjes. Ik begin er zin in te krijgen, jij ook? Met andere woorden, wat is de invloed van reclame?
A
Stijging van het aanbod
B
Stijging van de vraag
C
Daling van het aanbod
D
Daling van de vraag
Slide 30 - Quiz
De Sint komt langs in december. Ouders --euh de sint-- gaan speelgoed kopen.
A
Stijging van het aanbod
B
Stijging van de vraag
C
Daling van het aanbod
D
Daling van de vraag
Slide 31 - Quiz
Mijn kennis over vraag en aanbod is goed opgefrist!