Herhalen (on)regelmatige werkwoorden + woordenboek+ email




Herhalen (on)regelmatige werkwoorden + woordenboek
1 / 36
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson




Herhalen (on)regelmatige werkwoorden + woordenboek

Slide 1 - Slide

Plattegrond m3-sp1 (2026)

Slide 2 - Slide

Plattegrond m3-sp2 (2026)

Slide 3 - Slide

Objetivos de la clase/ Lesdoelen



Aan het einde van de les kun je:
  • Regelmatige werkwoorden herhalen
  • met een woordenboek woorden zoeken en zinnen maken.
Op tafel
 Schrift en pen

Slide 4 - Slide

Regelmatige werkwoorden
Hablar
Leer
Vivir
Yo
habl
le
viv
habl
le
viv
Él/ ella
habl
le
viv
Nosotro(a)s
habl
le
viv
Vosotro(a)s
habl
le
viv
Ello(a)s
habl
le
viv
Vul de tabel in met de juiste uitgangen.
timer
3:00

Slide 5 - Slide

Vertaal de volgende zinnen
1. Ik eet (comer) chocolade.
2. María drinkt (beber) Fanta.
3. Wij lezen (leer) Harry Potter.
4. Anna en Anton wonen (vivir) in Apeldoorn.
5. Ik spreek (hablar) Spaans.
6. Ik schrijf (escribir) in het Spaans.
1. Yo como chocolate.
2. María bebe Fanta
3. Nosotros leemos Harry Potter
4. Anna y Anton viven en Apeldoorn
5. Yo hablo español
6. Yo escribo en español
timer
3:00

Slide 6 - Slide

¿Sabes cómo usar el diccionario?
El uso del diccionario NED-SPA

Slide 7 - Slide

Werkwoorden opzoeken
- Zoek altijd het infinitief (helewerkwoord), nooit het vervoegde werkwoord.
- De regels voor het vervoegen staan achterin het woordenboek
- De regels uit je hoofd kennen scheelt veel tijd.  

Slide 8 - Slide

Je wilt weten hoe je "ik kan" zegt. Welk woord zoek je op?
A
kan
B
kunnen

Slide 9 - Quiz

Waar vind je de vervoeging van 'kunnen'?
A
Niet, die moet je uit je hoofd kennen.
B
Die staat ,meestal achter in het woordenboek
C
onder de 'k'

Slide 10 - Quiz

Andere grammaticaregels
- Let op m & v
- Zet woorden zelf in meervoud. 




Slide 11 - Slide

Je zoekt het woord trein op in het woordenboek. Hoe weet je of het 'el tren' of 'la tren' is?
A
Die regels moet je uit je hoofd kennen.
B
Er staat 'el' of 'la' bij de vertaling
C
Er staat een 'm' of 'v' bij de vertaling

Slide 12 - Quiz

Je moet het woord 'kortingen' vertalen. Wat zoek je op in het woordenboek?
A
korting
B
kortingen
C
de korting
D
de kortingen

Slide 13 - Quiz

Hoe weet je wat de meervoudsvorm van 'descuento' (korting) is?
A
Dit staat bij de vertaling
B
Dit is een regel die je zelf moet kennen

Slide 14 - Quiz

Ejemplo (Voorbeeld)
1. Je wilt "Ik loop door straten" schrijven in het Spaans . 
2. Je weet het niet hoe "Ik loop" schrijven in het Spaans . Je zoekt het op het woordenboek. 

3. Je weet het niet hoe "straten" schrijven in het Spaans . Je zoekt het op het woordenboek. 
Yo ando/camino por las calles

Slide 15 - Slide

Vertaal de volgende zinnen: Zoek het werkwoord/woord op in het woordenboek en vervoeg het.
1. Ik leer de woorden.
2. Zij zoekt het adres.
3. Wij verkopen appels.
1. Yo aprendo las palabras
2. Ella busca la dirección.
3. Nosotros vendemos manzanas
timer
10:00

Slide 16 - Slide


Hoe is het gegaan?
😒🙁😐🙂😃

Slide 17 - Poll

Plattegrond m3-sp1 (2026)

Slide 18 - Slide

Plattegrond m3-sp2 (2026)

Slide 19 - Slide

Objetivos de la clase/ Lesdoelen



Aan het einde van de les kun je:
  • woorden zoeken met behulp van een woordenboek
  • met het schrijven van zinnen in het Spaans oefenen.
  • onregelmatige werkwoorden herhalen (Ser, estar, tener)
  • zinnen maken om zichzelf voor te stellen- E-mail schrijven
Op tafel
 Schrift, pen en woordenboek

Slide 20 - Slide

Buscar en el diccionario
Je wilt de volgende zin schrijven: 
"Ik vul het formulier in"
maar je weet niet hoe je 'Ik vul in' zegt. 

Zoek het op in het woordenboek.
timer
5:00

Slide 21 - Slide

Hoe maak je een goede zin?
Persoon/ding + Actie + hoe, waar, wanneer, wat, etc.
Yo + como + una banana
Rosa + habla + rapidamente
El bus + es + bonito

Slide 22 - Slide

Zinnen maken
Persoon/ ding         +
 vervoegd werkwoord +
wat (zelfstandig naamwoord + bijvoeglijk naamwoord)

Met wie (persoon)

Waar (plek)

Hoe (bijwoord)
Wanner
Yo como pasta deliciosa con mi familia en un restaurante.

Slide 23 - Slide

Plaats de woorden in de juiste
volgorde:
actor - famoso - es - el

Slide 24 - Open question

Plaats de woorden in de juiste
volgorde:
juega - Maradona - futbol - al

Slide 25 - Open question

Plaats de woorden in de juiste
volgorde:
madre - come - mi - pasta - la -
rápidamente

Slide 26 - Open question

Maak een zin met 8 tot 10 woorden:
amiga - inteligente - come - chica - la - vive - habla - pizza - frances - bien - normalmente - es - mucha

Slide 27 - Open question

Wat doe je vandaag?
Maak een zin met 8 tot 10 woorden

Slide 28 - Open question

Onregelmatige werkwoorden

Slide 29 - Slide

Onregelmatige werkwoorden
Ser (Zijn)
Estar (Zijn/ bevinden)
Tener (Hebben)
Ir (gaan)
Yo
Él/ ella
Nosotro(a)s
Vosotro(a)s
Ello(a)s
Vul de tabel in met de juiste vorm.
timer
4:00

Slide 30 - Slide

Huiswerk nakijken
Onregelmatige werkwoorden

Slide 31 - Slide

Meest gebruikte zinnen
Openingszinnen:
  • Hola
  • Buenos días
  • ¿Qué tal?
  • ¿Cómo estás?
  • Espero que hayas tenido una buena semana.
Sluitingzinnen:
  •  ¡Te deseo un buen día!
  • ¡Disfruta de tu semana! 
  • Espero hablar contigo pronto. 
  • ¡Cuídate!
  • Saludos
  • Un beso
  • Un abrazo

Slide 32 - Slide

Schrijf een email en
Stel jezelf voor: schrijf over de volgende punten.
1. Naam
2. Leeftijd
3. Woonplaats
4. Talen die je spreekt
5. Nationaliteit
6. Hobby’s
7. Favoriete eten
8. Karaktereigenschapen 
(llamarse/ soy)
(tener)
(vivir)
(hablar)
(ser/ ser de)
(gustar)
(gustar/ encantar comer)
(ser)
Maar= pero
En = y
timer
10:00

Slide 33 - Slide

Ejemplo
Hola, ¿cómo estás? Yo estoy muy bien.
Me llamo Carola. Yo vivo en Enschede, pero soy de Perú. Hablo español, inglés y holandés.
Me gusta cocinar y trabajar en mi jardín. Me encanta comer comida Libanesa. 
Soy organizada y responsable. 

Slide 34 - Slide


Hoe is het gegaan?
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Poll

¡Adiós!

Slide 36 - Slide