les 1.2 onderzoeken en les 1.3 practicum

1.2 onderzoeken en 1.3 practicum
1 / 36
next
Slide 1: Slide
NaskMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

1.2 onderzoeken en 1.3 practicum

Slide 1 - Slide

Wat gaan we deze les doen?
Herhalen vorige les met drie vragen;

Leerdoelen van deze les?

Introductie, instructie en controle vragen over de les;

Vragen maken die horen bij de les.

Slide 2 - Slide

Quiz
Nask gaat over de.....
A
Levende natuur.
B
Niet levende natuur

Slide 3 - Quiz

Quiz
Een stof verandert van toestand.  
A
Natuurkunde
B
Scheikunde
C
Biologie

Slide 4 - Quiz

Quiz
Als een stof verandert in andere stoffen, dan is dat..
A
Natuurkunde
B
Scheikunde
C
Biologie

Slide 5 - Quiz

leerdoelen:
1.2.1 Je kunt uitleggen waarom je onderzoek doet bij nask.
1.2.2 Je kunt benoemen wat je met je zintuigen kunt waarnemen.
1.2.3 Je kunt beschrijven hoe je voorzichtig aan onbekende stoffen moet ruiken.
1.2.4 Je kunt uitleggen waarom je bij natuurkunde en scheikunde nooit mag proeven van een stof.
1.2.5 Je kunt beschrijven wat de onderzoeksvraag en de conclusie van een onderzoek zijn.

Bij natuurkunde en scheikunde doe je onderzoek. Met onderzoek kun je dingen ontdekken. Bij onderzoek moet je goed opletten wat er gebeurt. Je moet dus goed waarnemen.

Slide 6 - Slide

1.2.1 Je kunt uitleggen waarom je onderzoek doet bij nask.
1.2.2 Je kunt benoemen wat je met je zintuigen kunt waarnemen.
Zintuigen
Bij natuurkunde en scheikunde leer je niet alleen theorie uit het boek. 
Je gaat ook zelf onderzoek doen. Op die manier ontdek je dingen over stoffen en natuurverschijnselen.

Bij onderzoek moet je precies waarnemen wat er gebeurt.
Waarnemen doe je met je zintuigen. Met je zintuigen kun je:
• zien;    • horen;     • ruiken;    • voelen;   • proeven.
Bij onderzoek mag je altijd zien, horen en voelen. Voor ruiken en proeven gelden speciale regels.

Slide 7 - Slide

Begrippen:

Slide 8 - Slide

Quiz
Waarnemen doe je met je zintuigen?
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quiz

1.2.3 Je kunt beschrijven hoe je voorzichtig aan onbekende stoffen moet ruiken.
Voorzichtig ruiken
De damp van sommige stoffen is giftig. Als je die damp inademt, dan kun je ziek worden. Daarom mag je nooit zomaar ruiken aan een stof. Je moet altijd voorzichtig zijn met ruiken. Voorzichtig ruiken doe je zo:
• Houd de fles een beetje van je af.
• Haal de dop van de fles.
• Wuif met je hand boven de fles, zodat de damp wordt verdeeld in de lucht.
• Snuif een beetje van die lucht op.
Zo adem je nooit te veel slechte stof 

Slide 10 - Slide

2.2.3 Je kunt uitleggen wat je moet doen om stoffen te kunnen herkennen.
Stoffen herkennen

Maar water, wasbenzine en azijn hebben elk ook andere eigenschappen. Bijvoorbeeld: één van de drie stoffen heeft geen geur. Je kunt deze stof dus niet ruiken. Je weet vast wel welke stof dat is.
Je kunt een stof meestal niet herkennen door alleen maar te kijken. Je moet dan meer weten van die stof. Je hebt ook andere stofeigenschappen nodig. Die eigenschappen kun je ontdekken door de stof te onderzoeken.
Door onderzoek kun je ontdekken welke stof het is. Je kunt veel stoffen herkennen door te kijken, voelen, schudden en ruiken. Je mag bij onderzoek nooit proeven van een stof.



Slide 11 - Slide

Alleen maar kijken is vaak niet genoeg om een stof te herkennen.

Slide 12 - Slide

Quiz
Bij ruiken houd je de fles vlak onder zijn neus, is dit goed of fout?
A
Goed
B
Fout

Slide 13 - Quiz

1.2.4 Je kunt uitleggen waarom je bij natuurkunde en scheikunde nooit mag proeven van een stof.
Nooit proeven!
Sommige stoffen bij natuurkunde en scheikunde zijn giftig. Je kunt er heel erg ziek van worden. Daarom mag je nooit proeven van een stof!

Slide 14 - Slide

Je mag nooit proeven van een stof, want stoffen kunnen ....... zijn.

Slide 15 - Open question

Leerdoel
1.2.5 Je kunt beschrijven wat de onderzoeksvraag en de conclusie van een onderzoek zijn.
Onderzoek doen
Bij natuurkunde en scheikunde doe je onderzoek om dingen te ontdekken. Een onderzoek begint met een onderzoeksvraag. Daarin staat wat je wilt ontdekken. Een voorbeeld van een onderzoeksvraag is: wat is de temperatuur van kokend water? Soms mag je zelf een onderzoeksvraag bedenken.
Na het onderzoek heb je iets ontdekt. Je hebt dan een conclusie. De conclusie van het onderzoek is het antwoord op je onderzoeksvraag. Een conclusie kan zijn: de temperatuur van kokend water is 100 graden Celsius.

Slide 16 - Slide

Begrippen

Slide 17 - Slide

Welke waarnemingen mag je bij een onderzoek altijd doen?
Horen en proeven
Horen en zien
Proeven en ruiken

Slide 18 - Drag question

Slide 19 - Slide

Aan het werk! NOVA
Wat? 1.2. onderzoeken
Opdracht: 1 t/m 12 Niet de P-opdrachten!

Waar? In Magister naar leermiddelen Nova Nask. 
Hoe? Als het bord op rood staat werk je alleen en in stilte.
Als het bord op groen staat mag je fluisterend overleggen met je buurman. 
Heb je vragen? Steek je hand op en ik kom bij je. 
Klaar? Kijk het dan na!

timer
1:00

Slide 20 - Slide

2.1 onderzoeken en 1.3 practicum

Slide 21 - Slide

Wat geen we leren?
Leerdoelen
1.3.1 Je kunt beschrijven wat een practicum is.
1.3.2 Je kunt practicummateriaal herkennen.
1.3.3 Je kunt beschrijven waarvoor je practicummateriaal gebruikt.
1.3.4 Je kunt de veiligheidsregels en veiligheidsmiddelen bij practicum noemen.
Onderzoek doen en proeven doen hoort bij natuurkunde en scheikunde. Bij proeven zijn er regels voor de veiligheid.

Slide 22 - Slide

1.3.1 Je kunt beschrijven wat een practicum is.
1.3.2 Je kunt practicummateriaal herkennen.
1.3.3 Je kunt beschrijven waarvoor je practicummateriaal gebruikt.
Practicummateriaal
Bij natuurkunde en scheikunde hoort practicum. Bij practicum doe je onderzoek naar natuurverschijnselen. Meestal heb je dan meetgereedschap nodig. Je hebt vaak ook andere dingen nodig. De spullen die je bij practicum gebruikt, noem je practicummateriaal. Er is veel verschillend practicummateriaal. 

In de volgende dia zie je wat je moet leren.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Begrippen

Slide 25 - Slide

Quiz
Als je een reageerbuis gaat verwarmen, dan gebruik je wel/ niet  een reageerbuisknijper.
A
wel
B
niet

Slide 26 - Quiz

Quiz
Met welk voorwerp kun je vloeistoffen verwarmen?
A
Maatcilinder
B
Bekerglas

Slide 27 - Quiz

Leerdoelen
1.3.4 Je kunt de veiligheidsregels en veiligheidsmiddelen bij practicum noemen.

Veiligheid
Bij practicum werk je soms met vuur. Je gebruikt gevaarlijke stoffen. Soms werk je met elektriciteit. Als er iets fout gaat, dan kan iemand gewond raken. Daarom is veiligheid erg belangrijk. Je moet altijd voorzichtig werken bij practicum. En je moet je houden aan de veiligheidsregels (afbeelding 6).
De veiligheidsregels zijn:
• Luister naar je leraar en doe wat je leraar zegt.
• Niet duwen, trekken of rennen in het lokaal.
• Niet eten of drinken in het lokaal.
• Leg geen tas of andere spullen waar mensen moeten lopen.
• Draag een veiligheidsbril als dat nodig is.
• Bind lang haar in een staart als je met vuur werkt.
• Werk altijd voorzichtig, vooral met scheikundige stoffen.
• Ruik alleen voorzichtig aan onbekende stoffen.
• Proef nooit van stoffen.
• Als er iets fout gaat, dan moet je meteen je leraar waarschuwen.

Slide 28 - Slide

Leerdoelen
1.3.4 Je kunt de veiligheidsregels en veiligheidsmiddelen bij practicum noemen.

Bij practicum moet je weten waarvoor je veiligheidsmiddelen moet gebruiken. In de meeste practicumlokalen zijn de volgende veiligheidsmiddelen aanwezig:
de brandblusser=> Hiermee blus je een beginnende brand.
• de branddeken
Hier kun je iemand in wikkelen als zijn kleding in brand staat 
• de oogdouche of oogwasfles
Hiermee spoel je je ogen schoon als je er bijtende stof in hebt gekregen.
• de nooddouche
Hier kun je onder gaan staan als je een bijtende stof over je heen hebt gekregen.
• de nooddeur
Een deur die je gebruikt om uit het lokaal te vluchten.
• de noodstop
Een rood met gele knop die het gas en de elektriciteit afsluit als je hem indrukt.
Je leraar vertelt waar deze veiligheidsmiddelen in het lokaal zijn.

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Begrippen

Slide 31 - Slide

Quiz
Waarvoor gebruik je de brandblusser?
A
Om de brander uit te maken
B
Om een papiertje dat in brand vliegt uit te maken
C
Om vuur dat niet meer onder controle is, uit te maken

Slide 32 - Quiz

Slide 33 - Slide

Aan het werk! NOVA
Wat? 1.3. practicum
Opdracht 1 t/m 13 NIET de P-opdrachten
Waar? In Magister naar leermiddelen Nova Nask. 
Hoe? Als het bord op rood staat werk je alleen en in stilte.
Als het bord op groen staat mag je fluisterend overleggen met je buurman. 
Heb je vragen? Steek je hand op en ik kom bij je. 
Klaar? Kijk het dan na!

timer
1:00

Slide 34 - Slide


Schrijf drie dingen op die je deze les hebt geleerd.
Dit is een open vraag.

Slide 35 - Open question


Stel een vraag over iets wat je 
nog niet zo goed hebt begrepen.
Dit is een open vraag.

Slide 36 - Open question