Toetsbespreking PTO 2

1 / 16
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon is thuis/kluis (of in het Zakkie in de schooltas)
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 
timer
3:00

Slide 2 - Slide

           Leerdoelen
Toetsbespreking:
  • Ik weet hoe mijn toets is nagekeken en begrijp hoe de punten zijn verdeeld.
  • Ik herken welk type (RTTI) vragen ik goed of minder goed heb gemaakt.
  • Ik weet wat mijn persoonlijke aandachtspunten zijn om beter te worden in geschiedenis.
  • Ik kan uitleggen hoe ik me heb voorbereid en wat ik de volgende keer anders ga doen.

Vooruitblik P3:
  • Ik weet wat we in periode 3 gaan leren en wat ik daarvoor al moet weten. 

Slide 3 - Slide

Wat voor type vraag is dit?

Lees de bron.
Leg uit waardoor volgens deze bron de moedernegotie kon ontstaan. Gebruik in je antwoord een gegeven uit de bron.
A
R
B
T1
C
T2
D
I

Slide 4 - Quiz

Hoeveel punten kan je voor deze vraag krijgen?

Lees de bron.
Leg uit waardoor volgens deze bron de moedernegotie kon ontstaan. Gebruik in je antwoord een gegeven uit de bron.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 5 - Quiz

Lees de bron.

(T2x2p) Leg uit waardoor volgens deze bron de moedernegotie kon ontstaan. Gebruik in je antwoord een gegeven uit de bron.
A
In de bron lees ik, Dat de moedernegotie kon ontstaan
B
in de bron zie ik. dat iemand geintreseerd is in graan hij wilt graag graan en hij wilt weten voor hoeveel hij het kan verkopen dat betekent dat die man het of gaat oogsten of gaat inkopen en verkopen voor winst
C
In de bron lees ik dat ze halen graan die genoeg is om hun bevolking te voeden en ook aan de vreemdelingen geven. Handel ze kunnen de graan duurder verkopen de graan
D
in de bron staat dat ze moesten uit andere landen graan haalen en ze hadden heel veel nodig ik kan dit zien waar het staat ¨...haalt men uit vlaandere, het oostzeegebied en artois, zelfs uit engeland, wanneer men daar voldoende heeft '

Slide 6 - Quiz

(Rx1p) In welke periode speelde de Nederlandse Opstand zich af?
A
1548-1628
B
1568-1648
C
1588-1648
D
1588-1668

Slide 7 - Quiz

(T1x2p) Op 17 augustus 1585 ondertekende de burgemeester van Antwerpen een document waarmee hij de stad overgaf aan de Spaanse bevelhebber die de stad veertien maanden had belegerd. Deze gebeurtenis staat bekend als de Val van Antwerpen.

Aycha doet op basis van deze gebeurtenis de volgende uitspraak: "De Val van Antwerpen is een oorzaak van de Gouden Eeuw in de Republiek." Leg deze uitspraak van Aycha uit.
A
Door de Val van Antwerpen werd Amsterdam heel belangrijk omdat veel immigranten kwamen. Dat is 1 van de redenen dat Amsterdam uitgroeide tot een grote handelstad wat hoort bij de Gouden Eeuw.
B
Aycha probeert aan te geven dat door de val van antwerpen de Gouden Eeuw is ontstaan in de Republiek. En dat dat 1 van de oorzaken was.
C
Toen het niet zo goed ging met Antwerpen gingen de mensen verhuizen naar Amsterdam. Amsterdam was hierdoor de belangrijkste/machtigste handelsstad in Europa en werd rijk doordat handelaren goedkope stoffen kochten en die duurde maakten om ze te verkopen aan andere landen. Deze winst inversteede ze weer in hun handel. Dit maakten hun rijk. Daarom word dit een de Gouden Eeuw genoemd.
D
dat is niet waar want de Gouden Eeuw was eerder

Slide 8 - Quiz

(T1x2p)
a. Voor leden uit welke stand was het baantje van Le Grand Maître de la Garderobe bedoeld?
b. Waarom was dit baantje alleen weggelegd voor leden van deze stand?
A
A: 2e B: Omdat Adels een hoge stand was en daarom de koning (die gekozen is door god) moesten helpen met aankleden. De 1e stand zagen ze als minder en niet goed verzorgd.
B
a. Adel b. want hij ziet ze eigenlijk als zijn vijand dus hij wil ze dichtbij hem houden
C
a. adel b. want ze waren dichtbij elkaar en konning vertrouwde naar ze.
D
a.3e stand. b.Zij waren niet zo belangrijk en de machtige mensen waren veel beter in de samenleving, teminste dat vonden zij. Machtige mensen helpen de koning toch niet met aankleden dat zou raar zijn in die tijd.

Slide 9 - Quiz

(T1x2p) De bijnaam van Lodewijk XIV is de 'Zonnekoning'. Leg uit wat dit zegt over zijn macht.

A
We weten dat de planeten draaien om de zon, en dat Lodewijk XIV absolute macht had in zijn tijd. Hij maakte dus alle beslissingen, waardoor alles om hem draaide. Daarom kreeg hij de bijnaam ‘Zonnekoning‘.
B
hij noemde zichzelf de zonnekoning want hij dacht dat hij de middelpunt van frankrijk is en hij is een koning met absolutisme
C
Hij noemde zichzelf de Zonnekoning want hij had alle macht, alles gaat over hem en hij was het belangrijkste persoon.
D
Dat hij werd gezien als of hij de zoon was van de god.

Slide 10 - Quiz

QA-analyse in RTTI online
Wat? QA-analyse
     - Terugblik op voorbereiding
     - Analyse antwoorden
     - Verbeteracties 

Hoe?
  1. Ga naar SomToday
  2. Klik op ELO - Leermiddelen
  3. Klik op RTTI-online
  4. Ga naar PTO 2
  5. Klik op "QA"

Hoelang? 
15 min.

Klaar?
Aan de slag met de opdracht Pruik of Revolutie?


Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Overzicht Periode 3
  • Thema: Pruiken en Revoluties (1700-1800) & Burgers en Stoommachines (1800-1900)
  • Benodigde lesmaterialen: Chromebook, JdW-map, etui 
Week 1
Week 2
Week 3
Week 4
Week 5
Week 6
Week 7
Week 8
Week 9
Toets- bespreking & vooruitblik
Idealen van de Verlichting: Locke, Montesquieu en Rousseau
Franse Revolutie: Vrijheid, gelijkheid en broederschap
Verlicht absolutisme: Keizer Napoleon
Grote verandering-en in de samenleving: Engeland
Van huis-nijverheid naar stoom-kracht: De Fabriek
De leef- en werk-omstandigheden:  De Arbeider
Machtsstrijd tussen fabrikanten en arbeiders: 
De Sociale kwestie
Modern Imperialisme: Oorzaak of gevolg van de IR?
.




Slide 14 - Slide

Tijd van Pruiken en Revoluties

Slide 15 - Mind map

Aan de slag
Wat?
We ontdekken hoe verschillend mensen in de 18e eeuw dachten over macht, vrijheid, geloof en opvoeding. Je leert het verschil tussen het ancien régime (pruiken) en de Verlichting (revoluties).

Hoe?
Je leest zelfstandig 5 korte bronnen uit de 18e eeuw.
Bij elke bron beslis je: past dit bij Pruik of Revolutie?

Hoelang?
10 min


Slide 16 - Slide