Uren, weken, maanden

Uren, weken, maanden
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 23 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Uren, weken, maanden

Slide 1 - Slide

Seizoenen

Slide 2 - Slide

Welke seizoenen ken je?

Slide 3 - Mind map

              Lente

21 maart - 20 juni
maart, mei en juni

Slide 4 - Slide

                Zomer

21 juni - 20 september
juli, augustus en september

Slide 5 - Slide

                Herfst

21 september - 20 december
oktober, november en december

Slide 6 - Slide

               Winter

21 december - 20 maart
januari, februari en maart

Slide 7 - Slide

Een jaar
Een jaar heeft 4 seizoenen
Een jaar heeft 12 maanden
Een jaar heeft 52 weken
Een jaar heeft 365 dagen

Slide 8 - Slide

Een maand heeft 4 weken.
Een week heeft 7 dagen.
Een dag heeft 24 uur.
Een uur heeft 60 minuten.
Een minuut heeft 60 seconden.

Slide 9 - Slide

Maanden van het jaar
januari
februari
maart
april
mei
juni
juli
augustus
september
oktober
november
december

Slide 10 - Slide

Dagen van de week

Slide 11 - Slide

Seizoenen
De winter: het is koud.
De lente: het wordt warm.
De zomer: het is warm.
De herfst: het regent.

Slide 12 - Slide

Spreekkaart 15 
Lente, zomer, herfst, winter

Slide 13 - Slide

Lente
1        Henk, wanneer begint de lente in Nederland?
2       De lente begint hier in maart.
1        Is de lente in Nederland warm?
2       In maart en april wordt het steeds warmer.
          In mei merk je dat duidelijk.

Slide 14 - Slide

Zomer

1         Wanneer is het zomer in Nederland?
2        In juni, juli en augustus is het zomer.
1         In welke maand gaan de mensen op vakantie?
2        Bij ons is juli en augustus de maand voor vakantie.
          Dan zijn alle scholen dicht.

Slide 15 - Slide

Herfst
1      Wanneer is het herfst?
2     Het is herfst in september, oktober en november.
1     Hoe is het weer dan?
2    O, dan regent het vaak. Er is meer wind en minder zon. Het             wordt minder warm.

Slide 16 - Slide

Vragen:
1.   In welke maanden is het lente?
2.  In welke maanden is het herfst?
3. In welke maanden is het zomer?
4. In welke maanden is het winter?

Slide 17 - Slide

Winter
1     En begint daarna de winter?
2    Inderdaad, maar in december is het nog niet echt koud.
1    Welke maanden zijn de koudste maanden?
2    Het wordt steeds kouder in januari en februari.


Slide 18 - Slide

Oefen in tweetallen
spreekkaart 15.

Slide 19 - Slide

Spreekkaart 16 
Weken en dagen

Slide 20 - Slide

Herfst
1      Wanneer is het herfst?
2     Het is herfst in september, oktober en november.
1     Hoe is het weer dan?
2    O, dan regent het vaak. Er is meer wind en minder zon. Het             wordt minder warm.

1    Maria, duurt je cursus één jaar?
2   Nee, een jaar duurt 52 weken.
     Mijn cursus duurt maar 8 weken.
1    Dus twee maanden?
2   Ja, twee maanden.
1    Heb je elke dag les?
2   We hebben drie dagen per week les.
     Totaal 8 keer drie, is 24 dagen.
1    Op welke dagen van de week hebben jullie les?
2   Op maandag, woensdag en vrijdag.


Slide 21 - Slide

Herfst
1      Wanneer is het herfst?
2     Het is herfst in september, oktober en november.
1     Hoe is het weer dan?
2    O, dan regent het vaak. Er is meer wind en minder zon. Het             wordt minder warm.

1    Hebben jullie geen les op dinsdag?
2   Nee, niet op dinsdag en donderdag.
1    En ook niet op zaterdag en zondag?
2   Nee, ook niet in het weekend.
1    Hoe laat beginnen je lessen?
2   De eerste keer om tien uur ’s ochtends.
     De tweede keer om twee uur ’s middags.
1    Hoe lang duurt elke les?
2   Elke les duurt twee uur, behalve de laatste les.
1    Dus meestal duren de lessen twee uur?

Slide 22 - Slide

Herfst
1      Wanneer is het herfst?
2     Het is herfst in september, oktober en november.
1     Hoe is het weer dan?
2    O, dan regent het vaak. Er is meer wind en minder zon. Het             wordt minder warm.

2    Ja, maar niet op vrijdag.
      Deze les duurt bijna drie uur.

Slide 23 - Slide