This lesson contains 41 slides, with interactive quiz and text slides.
Lesson duration is: 80 min
Items in this lesson
Wat doen we vandaag?
Vragen grammatica?
Herhalen grammatica
Bespreken HB 105, mandata 11 en 12 oneven
Bespreken HB blz. 36, opdracht 20, 22 b en c, 23.
Vervolg Les 44
Slide 1 - Slide
Slide 2 - Slide
Slide 3 - Slide
Vragen Grammatica?
Slide 4 - Open question
Geen vragen (meer)?
Maak maar twee rijtjes....
Slide 5 - Slide
Claudius
Lees Tekstboek blz. 156
Hulpboek blz. 36
Opdracht 24 en 28
Slide 6 - Slide
Opdracht 24
In een kroeg schepten drie soldaten op over hun (oorlogs)daden (militaire prestaties) terwijl ze wijn dronken.
Marcus had al verteld dat hij op één dag tien vijanden had gedood.
Lucius zei tegen hem: ‘Je hebt het inderdaad goed gedaan.
Je herinnert je toch wel dat ik me toen uit mezelf op de vijanden heb gestort, om jou te redden?
Mij viel zo’n grote bewondering ten deel, dat de leider mij de corona civica toekende!’
Slide 7 - Slide
Opdracht 24
Marcus zweeg. Een beetje later vroeg hij Quintus:
‘En jij, vriend? Vertel ons, wat jij ooit voor het vaderland hebt gedaan!’
Quintus zei met een ernstig gezicht:
‘Ik heb voor ons vaderland een nieuwe keizer gevonden.’
Marcus en Lucius moesten zozeer lachen, dat ze lange tijd geen woord konden zeggen.
Slide 8 - Slide
Opdracht 24
12 Quintus: ‘Toen Caligula was gedood, vielen de soldaten zijn huis binnen, met de bedoeling dat de familie niet zou ontkomen.
Ik ben ook het huis vol (van) rijkdommen binnengegaan.
We begonnen buit te verzamelen.
Ik bukte me (lett.: liet me zakken), om een kostbare beker van de grond op te rapen.
Zodra ik dat deed, zag ik onder de gordijnen de voeten van een man.
Ik naderde omdat ik graag wilde weten wie zich daar had verborgen.
Slide 9 - Slide
Opdracht 24
Meteen trok ik een man tevoorschijn (lett.: naar buiten).
Ik kende hem: het was Claudius, de oom van de keizer!
Trillend van angst viel hij op de knieën, omdat hij bang was, dat hij zou worden gedood.
Een van mijn metgezellen zei echter:
"Hoewel hij een familielid van de keizer is, laten we hem toch niet doden.
Hij is zo dom, dat hij niemand schaadt."
Slide 10 - Slide
Opdracht 24
Ik stelde voor: "Laten we de goede Claudius keizer maken!
Zijn dank zal zeker zó groot zijn, dat hij ons graag zeer grote beloningen geeft!"
Ons verheugend/Terwijl we blij waren, begroetten wij gezamenlijk Claudius als keizer.
We tilden hem op de schouders, terwijl we hard riepen (lett.: schreeuwden):
"Leve Claudius, leve onze keizer!" ‘
Slide 11 - Slide
Opdracht 24
29 De vrienden waren verbaasd door de woorden van Quintus.
Tenslotte riep Marcus uit:
‘Dit ene weet ik zeker:
omdat jij een zeer grote beloning van Claudius hebt ontvangen,
zul jij gemakkelijk de prijs van de wijn voor je vrienden kunnen betalen!’
Slide 12 - Slide
Opdracht 28
a. Eigen invulling.
b. Eigen verwerking, bijvoorbeeld: de verteller/ik-persoon stelt voor om Claudius tot keizer uit te roepen en ook de anderen lijkt dat een goed idee: ze roepen Claudius uit tot hun keizer.
c. Nobis verwijst naar de praetorianen die het paleis plunderen; eum verwijst naar Claudius.
d. De soldaten hebben Claudius net op zijn schouders genomen en wensen hem (uit eigenbelang) een lang leven toe.
e. Leve; wij hopen dat hij (lang) leeft
f. Eigen invulling.
Slide 13 - Slide
Nero
Lees Tekstboek blz. 158
Maak Hulpboek blz. 39,
Opdracht 30 en 31
timer
5:00
Slide 14 - Slide
Opdracht 30
a. Seneca, filosoof, leermeester van Nero in zijn jonge jaren; Burrus, commandant van Nero’s keizerlijke garde; Agrippina, zijn moeder.
b. Zijn moeder Agrippina wilde voorkomen dat Nero zich ontdeed van zijn vrouw Octavia. Uiteindelijk werd zij op bevel van Nero gedood.
c. Iupiter Custos (=de Bewaker).
d. Hij was 16 jaar oud toen hij aantrad als keizer en 31 jaar toen hij stierf.
Slide 15 - Slide
Opdracht 31
a. De religie van de christenen kende slechts één god en was toegankelijk voor iedereen.
b. De christenen vereerden slechts een ware god. Daarom weigerden ze de keizer als god te vereren.
c. Om de verdenking van brandstichting van zichzelf af te wentelen op een zondebok. Door achterdochtige Romeinen, die de christenen met argwaan bekeken, werd Nero’s valse beschuldiging geloofd.
Slide 16 - Slide
Hulpboek blz. 116
Werkwoord- Coniunctivus ipf en pgp
in de irrealis
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
Slide 19 - Slide
Slide 20 - Slide
Slide 21 - Slide
Slide 22 - Slide
Slide 23 - Slide
Slide 24 - Slide
Hulpboek blz. 117
Mandatum 13, 14 (oneven), 15.
timer
10:00
Slide 25 - Slide
Mandatum 13
a. Ik zit voor het vensterglas
b. Ik wou dat ik twee hondjes was
c. Dan kon ik samen spelen
d. Indicativus
e. Coniunctivus
f. Sedeo – essem - possem
Slide 26 - Slide
Mandatum 14 - oneven
1 De jongen, die alleen is, denkt: ‘Was mijn broer maar thuis! Als mijn broer thuis was, zou ik met hem spelen’.
3 Nadat de jongen over het moeilijke werk heeft verteld, dat hij alleen had voltooid, hebben zijn vrienden gezegd: ‘Had ons maar geroepen! Als wij hadden geweten dat jij hulp nodig had, zouden we je natuurlijk hebben geholpen!’
5 Caesar zou niet op 15 maart zijn gedood, als hij de woorden van zijn echtgenote had geloofd; want hij zou niet naar het senaatsgebouw zijn gegaan.
Slide 27 - Slide
Mandatum 15
a Beide 1 ev imperfectum coniunctivus actief
b Ik zou kunnen- ik zou ondergaan
c Sit
d Hoofdzin
e Als ik kon, zoon, zou ik, jouw moeder, in jouw plaats de dood ondergaan. Nu lig jij in deze grafheuvel. Moge de aarde licht voor jou zijn.
Slide 28 - Slide
Hulpboek blz. 118
Werkwoord- Coniunctivus in de
betrekkelijke bijzin
Slide 29 - Slide
Slide 30 - Slide
Slide 31 - Slide
Slide 32 - Slide
Slide 33 - Slide
Slide 34 - Slide
Slide 35 - Slide
Slide 36 - Slide
Slide 37 - Slide
Hulpboek blz. 117
Mandatum 17 (oneven), 18
timer
10:00
Slide 38 - Slide
Mandatum 17
1 Gezanten kwamen naar Rome om om vrede te vragen.
3 Lucius was zo’n jongen, aan wie lange verhalen erg bevielen.
5 Slaven vroegen om water, opdat zij daarmee de vlammen doofden.
Slide 39 - Slide
Mandatum 18
1 Gezanten kwamen naar Rome om om vrede te vragen.
2 Arme Romeinen hadden vaak een rijke patronus van wie zij hulp vroegen.
3 Schrijvers schrijven verhalen, die anderen lezen.
4 Slaven vroegen om water, opdat zij met dat water de vlammen doofden.