TaalCompleet B1 thema 1 herhaling (2/2)

TaalCompleet B1 
herhaling thema 1
                              Taalcompleet B1 
Thema 1-4: herhaling
1 / 38
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

TaalCompleet B1 
herhaling thema 1
                              Taalcompleet B1 
Thema 1-4: herhaling

Slide 1 - Slide

Woordenschat

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Link

Vul de blauwe woorden die we geleerd hebben 
op de juiste plek in de tabel in. 



Slide 4 - Slide

Maak 4 zinnen met 'aan het'

Ik ben de was aan het doen.

Slide 5 - Slide

Wat doet zij?

Slide 6 - Open question

Wat doet de jongen?

Slide 7 - Open question

Wat doen zij?

Slide 8 - Open question

Wat doet hij?

Slide 9 - Open question

Handige zinnen
Wat vind je leuk? Maak een zin met "om te". 

Wat doe je NIET GRAAG?
Schrijf een zin
Ik vind het niet leuk om te….


Slide 10 - Slide

Met zinnen met de blauwe woorden:
Maak zinnen blauwe woorden:
  • Onafhankelijk
  • Milieu
  • Klaarmaken 
  •  Onderdeel.

Slide 11 - Slide

Voltooid deelwoord

Slide 12 - Slide

voltooid deelwoord 
Een zin in de voltooide tijd?

Hebben/zijn?

Slide 13 - Slide

Vtdw - SOFTKETCHUP!
Einde -d of -t: kijk naar de laatste letter van de stam.
spelen - speel - gespeeld
maken - maak - gemaakt
zeggen - zeg - gezegd

Slide 14 - Slide

hebben/zijn
Je gebruikt bij de voltooide tijd vaak het hulpwerkwoord ‘hebben’.
  • Ik heb een brief geschreven.
  • We hebben veel gelachen.
Je gebruikt ‘zijn’ bij een werkwoord dat een verandering van situatie aangeeft, zoals: groeien, veranderen, sterven, verhuizen.
  • Ik ben gegroeid.
  • Hij is veranderd.

Slide 15 - Slide

Ik sport tijdens de sportles.
Wat is de voltooide tijd?
A
Ik heb gesport.
B
Ik ben gesport.
C
Ik heb gespord.
D
Ik ben gespord.

Slide 16 - Quiz

Hij luistert.
Wat is de voltooide tijd?
A
Hij geluistert.
B
Hij hebt geluistert.
C
Hij heeft geluisterd.
D
Hij geluisterte.

Slide 17 - Quiz

Ik lach
Wat is de voltooide tijd?
A
Ik heeft gelachen
B
Ik heb gelachen
C
Ik hebben gelachen
D
Ik heb gelach

Slide 18 - Quiz

Wat is het voltooid deelwoord van:
luisteren
A
geluisterd
B
geluistert

Slide 19 - Quiz

Wat is de voltooide tijd van maken?
A
Ik heb gemaakt
B
Ik heb gemaakd.
C
Ik maak.
D
Ik wil een Ferrari.

Slide 20 - Quiz

Maak een zin met: ontmoeten
gebruik voltooide tijd

Slide 21 - Open question

Herhaling voltooide tijd

Maak een zin met: eten



Slide 22 - Open question

Wat heb je gisteren gedaan?
Beantwoord de vraag in een zin in de voltooide tijd.

Slide 23 - Open question

Vaste voorzetselcombinaties

Slide 24 - Slide

Zij zorgt al jaren ... haar zieke vader.
A
om
B
over
C
voor
D
tegen

Slide 25 - Quiz

Ik kan me niet goed concentreren .......... de toets.
A
in
B
op
C
over
D
tegen

Slide 26 - Quiz

Ik moet studeren .... de toets.
A
voor
B
over
C
tegen
D
in

Slide 27 - Quiz

Hij is gelukkig genezen ... die vervelende ziekte.
A
op
B
in
C
over
D
van

Slide 28 - Quiz

Meervoud oefenen

Slide 29 - Slide

Meervoudsregels
Meestal - en achter het woord als je meervoud maakt.
Let wel op de spelling van lange en korte klank: 
  • boom - bomen
  • roos - rozen
  • bos - bossen
  • golf - golven

Na - je/ - el / -en / -er/ - ie
zet je een S achter het woord om meervoud te maken (lepels, bekers).

Slide 30 - Slide

Wat is het meervoud van plant?
1 plant, 2.........
A
plants
B
plantes
C
planten
D
plantens

Slide 31 - Quiz

Wat is het meervoud van boek?
1 boek, 2.........
A
boeks
B
boeken
C
boekes
D
boekt

Slide 32 - Quiz

meervoud van oma?
A
omas
B
omie
C
omaen
D
oma's

Slide 33 - Quiz

meervoud van baby?
A
babies
B
baby's
C
babys
D
balen

Slide 34 - Quiz

Wat is het meervoud van
OLIFANT
A
olifantjes
B
olifantje
C
olifanten
D
olifantten

Slide 35 - Quiz

Wat is het meervoud van
KAAS
A
kaazen
B
kazen
C
kaasen
D
kasen

Slide 36 - Quiz

Herhaling meervoudsregels:
1) Meestal - en achter het woord
2) Na -e, -el, -er, -en, - ie ( -em, -eau) is meervoud met -s
3) de onregelmatige woorden leer je uit je hoofd.
(ei, koe, blad, stad, overheid, kind)
4) na -a, -o, -u, -i, -y is meervoud met -'s 
(baby's, taxi's, oma's)

Slide 37 - Slide

Vragen?

Slide 38 - Open question