TC les 1.7

Dinsdag 8 september
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Dinsdag 8 september

Slide 1 - Slide

Doel
  • Herhaling er is/er zijn
  • Ik kan gebruik maken van voegwoorden in een zin:
 

en, maar, want, dus, of

Slide 2 - Slide

Programma
  • werkblad: het huis 
  • uitleg voegwoorden (Juf M)
  • wordwall
  • vragen over voegwoorden en zelf zinnen maken
  • stellingen
  • lied: ze huilt maar ze lacht

Slide 3 - Slide

Er is / er zijn

Slide 4 - Slide

Hoofdzinnen





In een hoofdzin staat het eerste werkwoord altijd op de tweede plaats.
wie of wat
De kat
Ik
We
eerste ww
springt
kan
delen
rest
op tafel.
 vandaag niet
een tuin.
tweede ww

werken.

Slide 5 - Slide

Je kan ook 2 hoofdzinnen aan elkaar maken.
De kat springt op de tafel en hij steelt mijn vlees.
Ik moet morgen werken, maar ik heb geen zin.
Mijn vader eet het liefst spaghetti, want mijn moeder maakt dit goed klaar.
Onze honden zwemmen graag in de zee, dus we gaan vaak naar het strand.
Ik ben heel moe, dus ik ga naar bed.

Slide 6 - Slide

Juf M
https://www.bing.com/videos/riverview/relatedvideo?q=juf+M+voegwoorden&&mid=4B9C4526AAB449C14AEC4B9C4526AAB449C14AEC&churl=https%3a%2f%2fwww.youtube.com%2fchannel%2fUC4Quzpomix0zB3CeKZtceuQ&FORM=VRDGAR

Slide 7 - Slide

Uitleg
en: toevoeging: iets of iemand erbij 
maar: tegenstelling  
want: reden
dus: gevolg
of: keuze

Slide 8 - Slide

Wordwall
A2                                                                           B1

Slide 9 - Slide

Ik heb een mooi nieuw huis, ... ik ben heel blij.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 10 - Quiz

De woonkamer is ruim ... we hebben twee slaapkamers.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 11 - Quiz

Ik wil graag een nieuwe keuken, ... ik heb geen geld.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 12 - Quiz

Er is een bushalte dichtbij, ... ik ga meestal met de fiets naar mijn werk.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 13 - Quiz

Ga je op de fiets ........ ga je liever met de bus?
A
en
B
want
C
maar
D
of

Slide 14 - Quiz

IK ben blij, want

Slide 15 - Open question

Mijn zoon is elf en

Slide 16 - Open question

Ik ga morgen naar de dokter, want

Slide 17 - Open question

Het is mooi weer, dus

Slide 18 - Open question

Ik ga met de bus, of

Slide 19 - Open question

Kies een stelling in groepjes van 3
Kies 1 stelling. Ben je het eens of oneens? Noem 3 redenen en gebruik hierbij voegwoorden. 

  1. Sportscholen moeten gratis zijn voor jongeren.
  2. De prijs van een pakje sigaretten moet omhoog naar 20€.
  3. Online gokken moet verboden worden.
  4. Het verzetten van de klok moet afgeschaft worden. 
  5. Suikerfeest moet een landelijke feestdag worden. 


en, maar, want, dus, of

Slide 20 - Slide

Ze huilt maar ze lacht.
Zet een streep onder de voegwoorden. 

Slide 21 - Slide

Terugblik

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide