HS 6.1 werken met hefbomen

H 6.1 "werken met hefbomen"
1 / 26
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 4

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

H 6.1 "werken met hefbomen"

Slide 1 - Slide

Leerdoelen: je kunt ...
  •  het moment van een kracht berekenen.
  • uitleggen en berekenen wanneer een hefboom in evenwicht is.
  • krachten en armen berekenen 
  • bij een werktuig herkennen welke krachten, armen, momenten er zijn
  • beschrijven en berekenen hoe met een werktuig een kleine kracht wordt versterkt

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Werktuigen met 1 of meer hefbomen

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Slide 6 - Video

Hefboom
Bij hefbomen in evenwicht bepaal je altijd in deze volgorde:
1) waar het draaipunt zit (klik de TIP open).
2) de [korte] arm van de grote kracht (in meters)
3) de grote kracht zelf (in Newton)
4) de [lange] arm van de kleine kracht (m)
5) de kleine kracht zelf (N)
TIP
Het draaipunt bij een hefboom is het punt dat zelf niet beweegt. Bij de wip op het plaatje dus het kleine rondje onder de kont van de olifant :)
Pas als je het draaipunt weet, kun je stap 2 en 4 doen, dat is de armen opmeten.

Slide 7 - Slide

Sleep de onderdelen van de hefboom naar de beste plek.
Draaipunt
Lange arm

Slide 8 - Drag question

Kleine kracht
Draaipunt
grote kracht

Slide 9 - Drag question

Sleep de antwoorden naar de juiste positie
Aangrijpspunt spierkracht
Aangrijpspunt werkkracht
Draaipunt

Slide 10 - Drag question

Waar zit hier het draaipunt? 
En de werkkracht? 
En de spierkracht?
Spierkracht Fspier
Werkkracht Fwerk

Slide 11 - Drag question

Werklijn en arm
Werklijn = verlenging van de krachtenpijl, zo ver als nodig is.
Tip: soms is verlengen niet nodig, dan heb je aan de krachtenpijl 
genoeg.

Arm = kortste afstand tussen werklijn van de kracht en het draaipunt.
Tip: deze staat dus altijd loodrecht op de werklijn.
(voorbeelden volgen hierna)

Slide 12 - Slide

Werklijn en arm
Draaipunt is het groene driehoekje.

De zwaartekracht werkt op twee punten, krachten zijn op schaal getekend F1 en F2.
Bij F1 hoef je geen werklijn te tekenen.
Bij F2 verleng je de kracht met de lichtblauwe werklijn.

Daarna meet je de armen op, kortste afstand tussen werklijn (of kracht zelf) en draaipunt. 
Armen zijn I1 en I2 (in rood).
luister uitleg

Slide 13 - Slide

De arm I is in beide plaatjes de loodrechte (kortste) afstand tussen de werklijn van de kracht en het draaipunt (groene stip). De werklijn hoef je hier niet te verlengen. 

Slide 14 - Slide

Moment = Kracht x Arm?

  • Het moment van een kracht is gelijk aan de grootte van de kracht x de lengte van de arm.
  • De arm van een kracht is de afstand tussen de werklijn van de kracht en de draai-as van de hefboom.


  • Een hefboom is in evenwicht als de som van de momenten linksom gelijk is aan de som van de momenten rechtsom.

Slide 15 - Slide

In symbolen


M = moment in Nm (newton * meter) 
F = kracht in N(ewton)
l = arm (lengte vanaf draaipunt) in m(eter)
M=F1L1

Slide 16 - Slide

Hefboom in evenwicht?

Hangt af van:

- de grootte van de krachten (N)

- de afstand tussen de krachten (of hun werklijnen) en het draaipunt (m)

Slide 17 - Slide

Hefboom in evenwicht
Kracht 1 x Arm 1 = Kracht 2 x Arm 2

F = kracht in N (Newton)
L = Lengte van de arm in m (meter)
F1L1=F2L2
Formule:

Slide 18 - Slide

Hoe groot is het moment? M = F x l

Slide 19 - Open question

Slide 20 - Video

Balanceer lab

Met de volgende link kom je op het balanceer lab van Phet Colorado. Hier kun je oefenen met de hefboomwet.


Probeer eerst de inleiding uit, daarna het lab en doe daarna het spel om te zien of je het hebt begrepen.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Link

Wat is de eenheid van moment?
A
Newton
B
meter
C
Newton.meter
D
Newton per meter

Slide 23 - Quiz

Het moment van de spierkracht is
A
0,46 Nm
B
0,56 Nm
C
52 Nm
D
5,7 Nm

Slide 24 - Quiz

het moment van de kracht van 100 N is
A
60 Nm
B
60 N
C
60 m
D
0,0060 Nm

Slide 25 - Quiz

Huiswerk voor donderdag
Maak DIGITAAL van HS6 paragraaf 1:
opgaven 1 t/m 5 en 7-8.

Hint: bij opg 4 meet je de arm in de figuur en deze reken je dan om via de schaal die erbij staat (1:30 of 1:5)
In de les van donderdag wordt het besproken, docent is online en jij bent gewoon in de klas.
Uitwerkingen voor het hele hoofdstuk staan klaar in ons Teamskanaal. 

Slide 26 - Slide