Doel van dit moment
• Het effect van de tekst zichtbaar maken
• Feedback richten op woordkeuze en doel, niet op smaak of fouten
• Leerlingen laten ervaren: woorden doen iets met de lezer
Basisuitvoering (klassikaal)
• Kies 2–3 teksten om te laten horen.
• Laat de schrijver voorlezen of lees zelf voor.
• Laat steeds 1–2 reacties toe, daarna door.
Sturing:
• Reageert een leerling alleen met “ja” of “nee”? → Doorvragen: Welk woord maakte dat je dit vond?
• Gaat de reactie over persoonlijke smaak? → Terugbrengen naar de tekst: Wat staat er in de tekst dat je overtuigt?
Variatie (aanrader bij tijd en ruimte)
Galerijvorm
• Hang alle teksten op in de klas.
• Leerlingen lopen rond en lezen meerdere teksten.
• Ze kiezen één tekst om op te reageren.
Daarna klassikaal:
• Welke tekst sprak je aan?
• Welk woord of welke zin werkte goed?
Deze vorm:
• verhoogt betrokkenheid,
• laat sterke teksten vanzelf boven komen,
• werkt goed bij grotere of stillere groepen.
Differentiatie (onzichtbaar)
• Route A:
leerling geeft alleen ja of nee
• Route B:
leerling geeft ja/nee + reden
• Route C:
o leerling benoemt concreet een woord of vergelijking