lidwoorden & haben/sein

Trede 1 t/m 4
Doelen bereikt? 

1 / 13
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 13 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Trede 1 t/m 4
Doelen bereikt? 

Slide 1 - Slide

Trede 5: toets
2C: dinsdag 11 april
2A+B+D: woensdag 5 april

Slide 2 - Slide

Heute

-Telefoons in de tas
-Spullen op tafel
5 minuten
Instructie klassikaal: lidwoorden 
10 minuten
Zelfstandig werken (keuze)
-Learning Portal
-Maakwerk
-Leerwerk
30 minuten
Herhaling haben en sein
Eventueel bespreken opdrachten
10 minuten
Reflectie
5 minuten

Slide 3 - Slide

ik kan: 
  • schoolvakken in het Duits benoemen
  • weekdagen in het Duits benoemen 
  • klokkijken in het Duits 
  • de werkwoorden haben en sein vervoegen
  • de zwakke werkwoorden vervoegen 
  • de lidwoorden toepassen

Slide 4 - Slide

Lidwoorden der/die/das
mannelijk:
Alle woorden die biologisch mannelijk zijn. (der Mann,  der Stier,  der Opa)

vrouwelijk: 
Alle woorden die biologisch vrouwelijk zijn. (die Frau, die Kuh, die Oma)
Veel woorden die eindigen op een e (die Rose, die Lampe)
onzijdig:
De meeste woorden waarvan het lidwoord in het Nederlands "het" is. (das Schaf,  das Kind)

meervoud:
Bij meervoud is het lidwoord altijd die (vrouwelijk). (die Männer, die Frauen, die Schafe)




Slide 5 - Slide

der (mannelijk)
* Namen van mannelijke personen en dieren. (der Opa, der Stier)

* Namen van:
- dagen (der Montag)
- maanden (der April)
- seizoenen (der Sommer)


Slide 6 - Slide

die (vrouwelijk)
*Namen van vrouwelijke personen of dieren (die Mutter, die Kuh)
*De meeste namen van dingen op:
- e               - schaft         
- ei              - ung              
- heit          - keit                        

* Meervoud (die Blumen, die Menschen)

 

Slide 7 - Slide

das (onzijdig)
* veel woorden waar in het Nederlands "het" voor staat. 

* Engelse woorden die eindigen op -ing (das training, das Marketing)

Slide 8 - Slide

Opdracht: keuze: hoe en niveau

LP
Papier
Leren
Trede 2: der-die-das
haben/sein o/r

Cijfers
Trede 1 Post für dich
der/die/das o/r
Schoolvakken
Trede 3: Mein Lieblingsfach ist....
esttenten o/r
Kloktijden

Slide 9 - Slide

Grammatik 

haben & sein 
(werkwoorden hebben & zijn)

Slide 10 - Slide

haben = hebben (t.t.)
ich:             habe
du:              hast
er/sie/es: hat
wir:             haben
ihr:              habt
sie/Sie:     haben

Slide 11 - Slide

sein = zijn (t.t)
ich:             bin
du:              bist
er/sie/es: ist
wir:             sind
ihr:              seid
sie/Sie:     sind

Slide 12 - Slide

Reflectie
Welke lidwoorden zijn er?
Wat is het verschil tussen der/die/das?
Leg uit: wanneer gebruik je welk lidwoord?
Hoe ging het vandaag?
Wat ging er goed?
Wat vind je nog moeilijk?

Slide 13 - Slide