De Kunst van Woordvolgorde in het Nederlands: Hoofd- en Bijzinnen

Woordvolgorde in het Nederlands: Hoofd- en Bijzinnen

1 / 27
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsHBOStudiejaar 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Woordvolgorde in het Nederlands: Hoofd- en Bijzinnen

Leerdoel

Aan het einde van de les kun je de Nederlandse woordvolgorde toepassen in hoofd- en bijzinnen.

Er zijn drie zinsstructuren in het Nederlands:

1 De normale zin

Volgorde:    Onderwerppersoonsvorm – rest van de zin – infinitief/perfectum
Voorbeeld:  Ik fiets naar huis. / Ik wil naar huis fietsen. / Ik ben naar huis gefietst.

Inversie

Volgorde:    Persoonsvormonderwerp – rest van de zin – infinitief/perfectum
Voorbeeld:    Fiets ik naar huis? / Morgen fiets ik naar huis. / Morgen wil ik naar huis fietsen.

In sommige situaties wisselen het onderwerp en de persoonsvorm van plek (inversie), namelijk:
-    Bij vraagzinnen
-    Als er een woordgroep vooraan in de zin wordt geplaatst, zoals het woord ‘morgen’ in het voorbeeld.

De bijzinstructuur

Volgorde:    onderwerp – rest van de zin – alle werkwoorden
Voorbeeld:    Ik neem mijn regenjas mee, omdat ik naar huis wil fietsen. / Ik kom te laat, tenzij ik nu naar huis fiets.

Bij een samengestelde zin heeft de bijzin een andere structuur. Het werkwoord komt in zijn geheel achteraan in de zin te staan.

Basisvolgorde: SVO

In hoofdzinnen gebruiken we de volgorde: Onderwerp – Persoonsvorm – Rest.

Voorbeeld

- Ik (S) eet (V) een appel (O). 

- Zij (S) woont (V) in Nederland (O). 

Woordvolgorde in Bijzinnen: SOV

In bijzinnen staat de persoonsvorm aan het einde van de zin.

 Voorbeeld

- Ik weet dat zij in Nederland woont. 

  - Hoofdzin: "Ik weet" (SVO) 

  - Bijzin: "dat zij in Nederland woont" (SOV) 

Tijdsbepalingen in Hoofdzin

Een tijdsbepaling kan vooraan staan; de persoonsvorm blijft op plek 2.


Voorbeeld: 

- Morgen ga ik naar school. 

- Sinds twee jaar woon ik in Nederland. 

Tijdsbepalingen in Bijzin

De tijdsbepaling staat voor de rest van de zin in bijzinnen.


Voorbeeld

- Ik weet dat hij morgen naar school gaat. 

Omkeringen en Vragen

Bij omkeringen wisselen onderwerp en persoonsvorm vaak van plaats.


Voorbeeld

- Normaal eet ik om acht uur. 

- Morgen ga ik naar Amsterdam. 

- Heb jij de sleutel? (Persoonsvorm vóór het onderwerp in een vraag) 

Kruisregel: Samengestelde Zinnen

Hoofdzin + Hoofdzin: SVO – SVO. Hoofdzin + Bijzin: SVO – SOV.


Bij twee hoofdzinnen blijft de volgorde SVO – SVO

Voorbeeld

- Ik eet een appel en hij drinkt koffie. 


Bij een combinatie van hoofdzin + bijzin gebruik je SVO – SOV

Voorbeeld

- Ik denk dat hij een appel eet. 

In het Nederlands bepalen voegwoorden of de volgende zin een hoofdzin of bijzin wordt. 


1. Hoofdzin + Hoofdzin (nevenschikkend voegwoord) 

Bij nevenschikkende voegwoorden verandert de woordvolgorde niet. De tweede zin blijft een hoofdzin.

 

Belangrijke nevenschikkende voegwoorden: 

- en (Ik lees een boek en hij kijkt tv.) 

- maar (Zij wil naar huis, maar het regent.) 

- of (Wil je koffie of thee?) 

- want (Ik blijf binnen, want het is koud.) 

- dus (Ik heb honger, dus ik eet een broodje.) 

 

Kenmerk: De persoonsvorm blijft op de tweede plek in de tweede zin! 

 

2. Hoofdzin + Bijzin (onderschikkend voegwoord)

Bij onderschikkende voegwoorden verandert de woordvolgorde in de tweede zin: de persoonsvorm gaat naar het einde. 

 

Kenmerk: In de bijzin verschuift de persoonsvorm naar het einde



Belangrijke onderschikkende voegwoorden: 


- dat (Ik denk dat hij gelijk heeft.) 

- omdat (Hij blijft thuis omdat hij ziek is.) 

- als (Ik kom als ik tijd heb.) 

- wanneer (We eten wanneer papa thuiskomt.) 

- terwijl (Zij lacht terwijl hij een grap vertelt.) 

- hoewel (Ik ga naar buiten, hoewel het regent.) 

- voordat (Ik was mijn handen voordat ik ga eten.) 

- nadat (We gaan naar huis nadat de film is afgelopen.) 

- zodat (Ik oefen veel zodat ik beter word.) 

voorbeeld


- Ik weet dat hij morgen komt. (niet: Ik weet dat hij komt morgen.

- Hij blijft binnen omdat het regent. (niet: Hij blijft binnen omdat het regent is.

Conclusie

Met deze vijf woordvolgorderegels kan je elke Nederlandse zin maken:


1. In de hoofdzin komt het werkwoord op de tweede plaats

2. Tijd en plaats kunnen op de derde plaats komen, of op de eerste plaats

3. In vragen en commando’s kan het werkwoord eerst komen

4. De voegwoorden en, maar, want, of en dus worden gevolgd door een hoofdzin

5. Alle andere voegwoorden worden gevolgd door een bijzin. In een bijzin staan ​​alle werkwoorden aan het einde.

Ik ga naar school omdat ik wil leren.

A

Hoofdzin + Bijzin

B

Bijzin + Hoofdzin

C

Hoofdzin+ Hoofdzin

Het regent, maar we gaan toch naar buiten.

A

Hoofdzin + Bijzin

B

Bijzin + Hoofdzin

C

Hoofdzin+ Hoofdzin

Ik weet dat hij van voetbal houdt.

A

Hoofdzin + Bijzin

B

Bijzin + Hoofdzin

C

Hoofdzin+ Hoofdzin

Zij lacht en hij vertelt een grap.

A

Hoofdzin + Bijzin

B

Bijzin + Hoofdzin

C

Hoofdzin+ Hoofdzin

Als het mooi weer is, gaan we naar het strand.

A

Hoofdzin + Bijzin

B

Bijzin + Hoofdzin

C

Hoofdzin+ Hoofdzin

Ik blijf binnen ,want het is koud.

A

Hoofdzin + Bijzin

B

Bijzin + Hoofdzin

C

Hoofdzin+ Hoofdzin

Hij zegt dat hij morgen op tijd komt .

A

Hoofdzin + Bijzin

B

Bijzin + Hoofdzin

C

Hoofdzin+ Hoofdzin

Voordat ik naar bed ga, poets ik mijn tanden.

A

Hoofdzin + Bijzin

B

Bijzin + Hoofdzin

C

Hoofdzin+ Hoofdzin

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.