Kapitel 4 - Verben

der
der
das
das
die
der
die
das
1 / 30
next
Slide 1: Drag question
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

der
der
das
das
die
der
die
das

Slide 1 - Drag question

Het werkwoord haben
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben
habst
habben

Slide 2 - Drag question

Het werkwoord sein.  
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind
sein
sein

Slide 3 - Drag question

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
Werden (worden/zullen)
werden
werdet
wirst
werde
wird
werden

Slide 4 - Drag question

Slide 5 - Video

Vervoeg het Duitse zwakke werkwoord spielen (= spelen).                                  
ich
du
er/sie/es

wir
ihr
sie/Sie
Denk aan de stam!
spielen
spielen
spielst
spiele
spielt
spielt

Slide 6 - Drag question

zwakke werkwoorden 
feesttenten

FE-

Slide 7 - Slide

wat is een zwak werkwoord?
A
geben
B
essen
C
fühlen
D
machen

Slide 8 - Quiz

Hoe herken je zwakke werkwoorden?
A
Klinkerverandering in de stam
B
Geen klinker-verandering in de stam
C
Kun je niet herkennen

Slide 9 - Quiz

Het zwakke werkwoord

Er (feiern)
A
feierne
B
feiernt
C
feier
D
feiert

Slide 10 - Quiz

antworten is een zwak werkwoord
A
wel
B
niet

Slide 11 - Quiz

wat is een zwak werkwoord?
A
een werkwoord waarvan de klinkers in de verleden tijd niet veranderen
B
een werkwoord waarvan de klinkers in de verleden tijd wel veranderen

Slide 12 - Quiz

Sleep het persoonlijk vnw. naar het de vervoegingen.
Vervoegingen
Persoonlijk vnw.
kaufen
spielst
hört
wohne
lieben
kommt
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie

Slide 13 - Drag question

Vervoeg het werkwoord "küssen"
küsse
küsst
küsst
küssen
küsst
küssen
ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie

Slide 14 - Drag question

Sleep het persoonlijk vnw. naar het de vervoegingen.
Vervoegingen
Persoonlijk vnw.
redet
antworten
findest
badet
arbeite
reiten
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie

Slide 15 - Drag question

Vervoeg het werkwoord "machen"
mache
machst
macht
machen
macht
machen
ich
du
er / sie / es
wir
ihr
sie / Sie

Slide 16 - Drag question

Sleep het persoonlijk vnw. naar het de vervoegingen.
Vervoegingen
Persoonlijk vnw.
öffne
regnet
rechnen
zeichnet
atmest
atmen
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie

Slide 17 - Drag question

Sleep de juiste vervoegingen naar de persoonlijke voornaamwoorden.
ich
du
er
wir
ihr
Sie
arbeite
findet
heiraten
chattest
reitet
warten
wartest

Slide 18 - Drag question

Sleep de juiste vervoegingen naar de persoonlijke voornaamwoorden.
ich
du
er
wir
ihr
Sie
arbeite
findet
heiraten
chattest
reitet
warten
wartest

Slide 19 - Drag question

Slide 20 - Video

Für Experten:
voltooid deelwoord van machen = gemacht
wat is het voltooid deelwoord van reden?

Slide 21 - Open question

het voltooid deelwoord van:
speichern

Slide 22 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van arbeiten

Slide 23 - Open question

Voltooid deelwoord van:
tanzen

Slide 24 - Open question

voltooid deelwoord:
arbeiten

Slide 25 - Open question

Voltooid deelwoord van:
lachen

Slide 26 - Open question

Ik kan zwakke werkwoorden vervoegen in de Duitse taal
Ja
Nein
Teilweise

Slide 27 - Poll

Ik kan voltooide deelwoorden maken van zwakke werkwoorden in de Duitse taal
Ja
Nein
Teilweise

Slide 28 - Poll

Dit heb ik nog nodig om deze twee onderdelen te begrijpen:

Slide 29 - Open question

Danke! 
Du hast es geschafft!

Slide 30 - Slide